Raad van State over wraking collega: geen twijfel aan onpartijdigheid

De staatsraad, lid van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, was dertig jaar als advocaat verbonden aan Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn. Eén van zijn voormalige collega’s – gedurende een periode van negen jaar – staat nu voor zijn neus als gemachtigde. Verder neemt de staatsraad deel aan ‘praktijkdagen’ die zijn voormalige kantoor met en bij de Raad van State organiseert. Toch is er geen reden om te twijfelen aan zijn rechterlijke onpartijdigheid, aldus diezelfde Raad van State.

De verzoekster voelt zich bij de behandeling van een geschil met de belastingdienst niet serieus genomen. Volgens haar wordt haar gemachtigde door de staatsraad, mr. G.M.H. Hoogvliet, ‘meermalen onderbroken’, waardoor zij ‘niet voldoende gelegenheid heeft gekregen om te reageren op de door de belastingdienst ter zitting overlegde stukken’. Volgens de verzoekster worden zij en haar gemachtigde ‘uitermate kritisch’ bejegend, terwijl de gemachtigde van de belastingdienst kan rekenen op duidelijke sympathie.

De staatsraad berust niet in de wraking. Hij stelt dat hij tijdens de zitting bij gemachtigde van verzoekster weliswaar heeft aangedrongen op beknoptheid, maar dat deed hij omdat hij zag dat die zich vanwege de omvang van de pleitnota onmogelijk zou kunnen houden aan de spreektijd van vijf minuten. Een compliment aan het adres van zijn oud-collega, de gemachtigde van de belastingdienst, ging juist over het wél respecteren van die tijdslimiet. Het was geen ‘inhoudelijke waardering over de bijdrage’.

De Afdeling bestuursrechtspraak is het met hem eens. ‘Gelet op het tijdsverloop sinds de werkzaamheden van de staatsraad staan die in beginsel niet langer in de weg aan deelname van de staatsraad aan een zaak waarbij dit advocatenkantoor betrokken is. Verzoekster heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan dat in dit geval toch het geval zou zijn. Het enkele feit dat de gemachtigde van de belastindienst werkzaam is op de afdeling die samen met de Raad van State praktijkdagen organiseert is daarvoor onoldoende.’

Klik hier voor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak

    | Mail de redactie | Print