Column: liberalisering, de Canadese paradox

In mijn boek Yoga in je Toga schreef ik in het hoofdstuk ‘flexibilisering en andere trends’ over de toekomst van de advocatuur. Het nut van flexibilisering bepleit ik niet vanuit een commercieel eigenbelang, maar vanuit een visie op de noodzaak tot veranderen van de toekomst van de advocatuur. Een andere verandering die de advocatuur kan raken, is liberalisering. Is de toekomst voor advocaten wellicht beter zonder toga?

Door Christ’l Dullaert, Le Tableau
 
In Canada pleiten advocaten zelf – in een werkgroep van de Canadian Bar Association – voor wat men liberalisering noemt. In Engeland en Australië is die liberalisering er al. Niet-advocaten mogen mede eigenaar zijn van een advocatenkantoor. In Australië zijn er hierdoor al beursgenoteerde advocatenkantoren. Dat de Canadese advocaten zelf met een initiatief voor liberalisering komen, is opmerkelijk.

Het zonder toga opereren door advocaten is natuurlijk al jaren gaande. Een heel groot deel van de advocaten zit in de adviespraktijk: zij hebben amper een toga aan. Voor sommige stagiaires is het behalen van hun procespunten zelfs een issue.

In Canada pleiten advocaten voor liberalisering, juist in het belang van de toekomst van de advocatuur. De werkgroep pleit voor de vrijheid om met andere beroepen te kunnen samenwerken en aldus bijvoorbeeld vreemd vermogen aan te kunnen trekken. Let wel, liberalisering is geen pleidooi voor deregulering in het algemeen.

Stel: er is liberalisering. Waarom zou het aantrekken van extern kapitaal en/of het kunnen samenwerken met andere beroepsgroepen beter zijn voor de toekomst van de advocatuur?

De noodzaak tot het aantrekken van extern kapitaal is op het eerste gezicht wat vreemd. Er gaat veel geld om bij kantoren, waarom zou je dan nog een externe financier nodig hebben?

Feit is echter dat de winst van kantoren vrijwel volledig aan de partners toevalt. Er zijn amper kantoren die een soort investeringsfonds hebben. Het was in de voorgaande jaren in feite ook niet nodig. Uurtarieven konden steeds wel worden verhoogd, en daarmee was groei verzekerd.

Investeringen zijn nu echter wel nodig. Automatiseren bijvoorbeeld kost veel geld, terwijl het niet direct wat oplevert. Sterker, het maakt een deel van het advocatenwerk overbodig. Het zijn dus niet het soort beslissingen waarmee je de advocatenhanden op elkaar krijgt, al helemaal niet als het ten koste gaat van de winst.

Het risico is (daardoor) dat niet-juristen zich op de juridische markt gaan begeven en aldus nog meer werk weghalen bij de advocatuur. De paradox daarom is – zoals de Canadese werkgroep doet – zelf te pleiten voor meer vrijheden, om zo uiteindelijk een betere toekomst te hebben.

Vooralsnog is liberalisering in Nederland nog niet aan de orde, maar de invloeden vanuit Engeland zullen hier ook zeker zichtbaar en voelbaar gaan worden. We zullen in 2015 toch eens over de Canadese paradox moeten gaan nadenken.

 

    | Mail de redactie | Print