Antony Jonkman over zijn eerste pleidooi: ‘Als ik alle instructies opvolgde, kon er niets fout gaan’

In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Voor de één was dat vorige maand en voor de ander al decennia geleden, maar de meeste advocaten kunnen zich hun eerste pleidooi nog levendig herinneren. M&A- en venture capital-advocaat Antony Jonkman kreeg van een partner een brief met instructies, waarvan hij zeker niet mocht afwijken. 

Door Ronne Theunis

Antony Jonkman
Partner LXA The Law Firm
Beëdigingsdatum: 10 juni 2003

“De eerste helft van mijn advocaatstage bij een groot kantoor bracht ik door op de sectie Banking. Daarna stapte ik over naar Employment & Employee Benefits, waar ik mijn eerste, eigen zaak kreeg van één van de partners van de Haagse vestiging. Zelf werkte ik op de vestiging in Amsterdam. Deze partner was een prominent zwaargewicht. Hij was briljant en berucht, en niet heel benaderbaar. Zijn opdracht kwam dan ook niet zoals gebruikelijk in persoon of telefonisch, maar schriftelijk. Via de interne bode stuurde hij me het dossier en een brief met duidelijke instructies.

Het ging om een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter: de zogenaamde ‘formele ontbinding’ van een arbeidsovereenkomst. Tegenwoordig volstaat meestal een vaststellingsovereenkomst, maar toen moesten partijen de ontbinding nog voor de zekerheid laten vastleggen in een rechterlijke beschikking, waarmee de werknemer zijn WW-uitkering kon veiligstellen. De zitting was eigenlijk één groot toneelspel, want partijen waren het allang eens. De rechter moest er alleen nog een klap op geven.”

Wijk er niet vanaf, amice 
“Onze cliënt was een grote reus, een verzekeraar of een beursfonds geloof ik, die zelf niet aanwezig zou zijn bij de zitting. ‘Amice, ik verzoek u deze zaak voor mij waar te nemen’ stond in de brief van de partner, of iets van die strekking. En ook: ‘Lees deze instructies nauwkeurig en wijk er zeker niet vanaf, dan kan u niets gebeuren.’ De aanwijzingen zagen uiteraard op de inhoud, maar zeker ook op de vorm: zorg dat je op tijd bent, geef de wederpartij een hand, ga daar zitten. Ik had de partner weliswaar niet persoonlijk gesproken, maar zijn begeleiding was in ieder geval uitvoerig.

Ik nam – terecht, denk ik – aan dat ik met vragen over de zaak niet bij de partner hoefde aan te kloppen, dus verdiepte ik me zelfstandig in het dossier en bereidde me voor op de zitting met hulp van mensen op mijn eigen sectie. Ik had straks in de rechtbank eigenlijk maar één taak: aanwezig zijn. Echt zenuwachtig was ik dan ook niet, meer opgewonden: als ik de instructies zou opvolgen, kon er niets fout gaan. Ik vond het vooral stoer dat ik voor het eerst tegenover een rechter zou staan. Uiteraard ging ik in toga. Dat hoefde eigenlijk niet per se bij de kantonrechter, maar deze kans namen ze me niet af.”

Het pleidooi 
“In de rechtbank deed ik precies wat me was opgedragen: ik was op tijd, gaf de wederpartij een hand en ging zitten. Tijdens de zitting gaf ik aan dat ik namens cliënt aanwezig was en dat ik hoopte deze zaak namens hen in harmonie te kunnen afsluiten, waarvan graag akte. Het hele toneelstuk duurde niet veel langer dan vijf minuten, waarna de rechter twee weken later inderdaad de gewenste ontbinding uitsprak.

Ik begreep best dat deze zaak voor alle partijen niet meer dan een formaliteit was, maar in mijn beginnende carrière voelde de uitspraak wel degelijk als een milestone. Toen ik daarna de partner inlichtte over de goede afloop, deed ik dat geheel in stijl: met een extreem lang en veel te volledig verslag. Schriftelijk, uiteraard.”

De evaluatie 
“Die avond vertelde ik trots aan mijn moeder dat het toch maar mooi zover was gekomen dat deze Jonkman als advocaat in rechte was opgetreden. Het zou wel meteen één van mijn weinige optredens in de rechtbank zijn, want na mijn stage ben ik de corporate transactiepraktijk in gegaan.

In mijn latere carrière kwam ik dus amper nog in de rechtbank, maar wat ik van die paar keren vooral heb geleerd, is dat het allemaal niet zo krampachtig en formeel hoeft. Een rechter is ook maar een mens, en verwacht echt geen geforceerde stijl of moeilijke woorden. Juridische inhoud mag best in een fris jasje: je kunt ook een grap maken of met een originele oplossing komen.

Inmiddels heb ik een eigen, snelgroeiend kantoor en stuur ik zelf stagiaires en medewerkers aan. Ik vind het leuk om mensen te inspireren niet altijd de gebaande paden te bewandelen. Wat mij betreft moet de advocatuur flink innoveren en zichzelf opnieuw durven uitvinden. Onze junioren krijgen van mij dan ook zeker geen brief met instructies.”

 

    | Mail de redactie | Print