Column: advocaatje, lees je nog?

Ik beweer soms dat ik cabaretier ben. Ik kreeg deze neiging voor het eerst op de middelbare school. Ik vertelde het zo regelmatig dat ik op een gegeven moment daadwerkelijk werd geboekt voor een optreden. Mijn oude vader zat op de eerste rij. Hij snurkte zo hard dat ik er ‘iets mee moest’.

Door Ewout Jansen

Ik was niet echt verbaasd, omdat mijn oude vader sowieso meestal direct in slaap viel als de TV aanging. Dit weerhield hem er niet van advies te geven over films. “Schitterende openingsscène,” zei hij dan. Toen ik het aanwezige publiek rustig uitlegde wie er zo vrolijk aan het snurken was, schrok mijn oude vader wakker van het applaus en klapte enthousiast mee.

Na afloop werd – aan iedereen die het wou horen – verteld hoe hilarisch het wel niet was, maar de volgende dag gaf hij (mogelijk bezorgd) een boekje cadeau waarin alle teksten van de Britse comedyknaller ‘Yes Minister’ stonden afgedrukt. Dit was andere koek dan mijn K3-imitiatie. Mijn oude vader vertelde er bij dat ‘de bevoegde diensten’ bloedig hadden geprobeerd de talloze mopjes uit dit boekje geheim te houden. De intonatie bij ‘bevoegde’ verried hier – niet zo heel subtiel – dat mijn vader niet zelden bevoegdheidsperikelen vermoedde als het om de avonturen van ‘de diensten’ ging.

Later toen ik – via allerlei misverstanden – mijn eerste keurige betrekking betrok als jongste bediende van het fameuze ‘team Huydecoper’ mocht ik elke ochtend aanschuiven voor wat bij de Hoge Raad der Nederlanden ‘het ochtendgebed’ werd genoemd. Terwijl de feitenrechters manifesten schreven over de ondragelijke werkdruk liep ‘team Huydecoper’ iedere ochtend een vrolijke optocht door de gangen van stadspaleis Huis Huguetan om de grote meester van wal te horen steken over de uitdijing van het heelal of ademloos te luisteren naar zijn interpretaties van drs. P of Jaap Fisscher; altijd feilloos voorgedragen uit het hoofd.

De vertellingen van Huydeceoper duurden meestal ongeveer een uur. We stonden werkelijk paf van zoveel knapheid, maar ik kan me niet herinneren dat we ooit iets juridisch bespraken. Aanvankelijk smolt ik van enthousiasme, maar al rap werd duidelijk dat het niet zo heel erg de bedoeling was dat we iets terugzeiden.

Regelmatig werden volledige afleveringen van ‘Yes minister’ naverteld. Dat was feest. Op dezelfde samenzweerderige toon van mijn oude vader vertelde Toon dan smakelijk dat ze op de ambassades met rode oortjes zaten te kijken, omdat de serie werkelijk nokkievol zit met staatsgeheimen. Inmiddels zijn enkele informanten bekend geraakt; niet de minste was Margaret Thatcher zelf. Nog steeds is het een mysterie wat er nu wel en niet echt gebeurd is.

Niemand zal geloven hoe het er werkelijk aan toegaat, legde ik mezelf daarom uit toen ik door het wonderlijke medium Advocatie werd verleid om via een column ‘uit de school te klappen’ over mijn zes jaar onder de knapste juristen van Nederland en daarna een jaartje bij de knapste insolventiespecialisten van de Maliesingel in Utrecht. Mocht ik me niet in kunnen houden om per ongeluk iets te vertellen dat ook echt zo is – en vooral als u erg boos wordt – bedenk dat het allemaal mogelijk gewoon verzonnen is wat ik zoal schrijf de komende maanden.

Statusgevoelige grootspraak
Voor mijn eerste wijsneuzerige statement over de advocatuur moet ik meteen maar bekennen dat ik geen geweldige pet van jullie op heb. Ik ken de advocatuur als veel wol en weinig schaap. U excelleert vooral in uiterlijk vertoon en statusgevoelige grootspraak. In indrukwekkende torens wordt druk vergaderd over of je wel of niet ‘uw rechtbank’ moet schrijven.

Allemaal reuze; maar advocaten lezen niet wat ze moeten lezen en vinden daarom niet wat ze nodig hebben. De ijverigste advocaten zitten in enorme torens over te werken naast een paar boekjes vol grotendeels irrelevante uittreksels van samenvattingen; dat overwerken is vooral gericht op slaapverwekkende kantoorpolitiek. Lezen kan inmiddels wat meer digitaal, maar de abonnementjes blijven door briljante ‘kennismanagers’ zuinig toegesneden op de ‘meest relevante’ bronnen.

Al is er een dikke pil van iemand die net gepromoveerd is over precies het onderwerp van uw rechtszaakje; u kunt het niet vinden. Er is geen tijd meer om het te bestellen voordat uw stuk de deur uit moet; laat staan dat u het nog zou kunnen lezen. De meeste advocaten slagen er al niet in de relevante passages uit Tekst & Commentaar en de Asser aan te wijzen. Wie daarin een beetje de weg weet, geldt meteen als briljant en ziet de rechter regelmatig hoorbaar zuchten van opluchting tijdens de zitting.

Dat het zo droef is, moet volgens mij worden verklaard doordat de advocatuur de schijn ophoudt dat het recht iets is dat je kunt ‘weten’. Cliënten kijken er daarom raar van op als een advocaat zijn werk doet en uren besteedt aan het daadwerkelijk analyseren en inventariseren van relevante rechtspraak, wetsgeschiedenis of literatuur. Cliënt denkt dan: ‘studeren, doe je maar in je eigen tijd’ en betaalt liever voor het schrijven van een stuk of een ‘overleg’.

Dit moedigt aan om heel gewichtig te doen over hoe knap men in ‘de praktijk’ wel niet is in het feitelijk voorlichten van de rechter. In deze mystificatie zit helaas een kern van waarheid. Vooral bij de rechtbanken behandelen rechters het recht te vaak als hindernis waar de dienstdoende secretaris zich maar mee moet gaan verhouden; nadat degene die op zitting het vriendelijkst overkwam alvast gelijk heeft gekregen.

Het is begrijpelijk dat advocaten dan hun meerwaarde gaan zoeken buiten het doen van hun eigenlijke werk. Een beetje afstand tot de zaak, wat invoelingsvermogen en een kekke presentatiecursus; meer is eigenlijk niet nodig. Deze ‘praktijkadvocaten’ zijn echter geen juristen, maar overbetaalde presentatoren in een jurk die je maar beter niet een cassatie of een hoger beroep kan toevertrouwen.

Van Daan Zonderland leerde ik als kind dat er een probleem is met ik, want ik ben natuurlijk ik, terwijl de rest van wereld alleen maar denkt dat ze ook ik zijn. Dat is de grote dwaling en wie dat begrijpt, hoeft nooit meer iets uit zijn hoofd te leren. Niet iedereen is Daan Zonderland voorgelezen; zodat het met de ‘ik-beleving’ van veel advocaten niet helemaal snor zit. Te veel advocaten beamen dat het niveau van de advocatuur bedroevend is, maar wanen zichzelf de enige uitzondering, terwijl vooral de matige jurist uitsluitend zichzelf briljant vindt.

De werkelijkheid is dat een substantiële minderheid – ondanks alles – best prima zijn werk doet. De jurist die denkt iets te weten, staat als het ware voor een enorme bibliotheek bedremmeld te mompelen dat hij toch echt zeker was dat ergens iets stond. Dat stond daar niet. Vrees kortom met grote vrezen voor een advocaat die beweert iets te weten zonder rustig een frisse duik in de boeken te hoeven nemen. Zelden is de werkelijkheid even mooi of relevant als een vage herinnering.

Fleur Brockhus is met verlof. Ewout Jansen neemt de honneurs waar. Tussen 2004 en 2009 won Ewout Jansen (www.ewoutjansen.nl) 12 cabaretprijzen met het duo Ewout & Etienne. Hij stopte met het vertellen van grapjes voor geld om te adviseren bij de Hoge Raad. Tegenwoordig verzorgt Ewout comedy en presentaties ondermeer bij de Sunday Assembly in Amsterdam (Mezrab) & Utrecht (Venue), TedX en de Idee. Ewout werkt verder mee aan de Snijtafel van Kasper C. Jansen (VPRO) en regisseert kleinkunstduo Lang & Gelukkig. Naast cabaret doet Ewout soms aan gespreksleiding (Adformatie, FNV, UvA), onderwijs (New School, NHA) of serieuze zaken (Stichting Cultuurbord, Wijn & Stael Advocaten, Reclame Code Commissie & Mama Louise).

    | Mail de redactie | Print