Herinneringen aan mijn eerste pleidooi
Tekst: Ronne Theunis
In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Voor de één was dat vorige maand, voor de ander decennia geleden, maar de meeste advocaten kunnen zich hun pleitdebuut nog levendig herinneren. Jeroen Brinkman kreeg te maken met een cliënt die zich met een bijzonder vergrijp toch aan de letter van de wet hield.
Jeroen Brinkman
Advocaat bij Poelmann van den Broek Advocaten
Beëdigingsdatum: 25 januari 2001
DE ZAAK
“Omdat ik ben afgestudeerd in het strafrecht, kreeg ik in mijn begintijd als advocaat-stagiaire vooral strafrechtzaken toebedeeld. Tijdens één van mijn eerste piketdiensten werd ik opgeroepen voor een bijzondere zaak. Op het politiebureau ontmoette ik mijn cliënt, een vriendelijke man die het – zo bleek later – financieel niet breed had. Hij was aangehouden voor een wel heel creatief vergrijp: het oneigenlijk gebruiken van de emballage-automaat in de supermarkt. Hij had een touwtje om een frisdrankfles geknoopt en voerde de fles in in de automaat. Nadat hij het statiegeld had opgestreken, trok hij de fles terug. Daarna voerde hij dezelfde fles steeds opnieuw in, om zo opnieuw het statiegeld te kunnen innen. Geen al te zwaar misdrijf, maar hij had de flessentruc bij verschillende automaten vaker uitgevoerd. Dit keer was hij dus opgepakt en nu moest hij voor de politierechter verschijnen. Aan mij de taak om hem daarin bij te staan.
Voor mijn cliënt was het natuurlijk een vervelende kwestie. Maar toen ik las welk strafbaar feit hem ten laste werd gelegd, schoot ik toch in de lach. Mijn cliënt werd namelijk onder meer verdacht van artikel 326a van het Wetboek van Strafrecht, ook wel omschreven als: ‘flessentrekkerij’.
Wettelijk gezien is een flessentrekker iemand die er een gewoonte of zelfs zijn beroep van maakt om goederen te kopen of zich eigen te maken met de bedoeling om daar niet voor te betalen. Daarmee worden doorgaans mensen bedoeld die bijvoorbeeld uit eten gaan, in een hotel slapen of benzine tanken, terwijl ze vooraf al weten dat ze de rekening niet gaan betalen. En blijkbaar viel onder flessentrekkerij ook het ongeoorloofd ‘flessen trekken’ uit de emballage-automaat.
Onbedoeld en waarschijnlijk ook onbewust had mijn cliënt bij zijn vergrijp het wetboek dus wel heel letterlijk genomen. Dat vond ik nogal grappig, en mijn cliënt gelukkig zelf ook. Ik zocht hem op het politiebureau op en liet hem de wettekst over flessentrekkerij zien. “Je hebt de daad bij het woord gevoegd”, legde ik hem uit. Mijn cliënt sprak gebrekkig Nederlands, maar de ironie van de situatie ontging hem niet. Het was wel te hopen dat de rechter de lol er ook van in zag, want op flessentrekkerij staat minimaal een geldboete en maximaal vier
jaar gevangenisstraf. Taalkundig gezien mocht het dan geestig zijn, het was nog steeds strafbaar.”
HET PLEIDOOI
“Als beginnend advocaat vond ik het best spannend om in de rechtbank te staan. In de meeste zaken valt er namelijk niet veel te lachen, zeker niet in het strafrecht. Zo had ik eerder iemand bijgestaan die werd verdacht van brandstichting, waar de rechter tijdens de zitting heel zwaar aan tilde. En ik had ook eens een cliënt gehad met psychische problemen, wat leidde tot een benauwde situatie in een verhoorkamer. Toch zag ik deze zitting met vertrouwen tegemoet. Vergeleken met mijn eerdere ervaringen voelde de zaak van de flessentrekker een stuk luchtiger. Bovendien had ik tijdens mijn rechtenstudie vaak gehoord dat het helpt als je in je pleidooi een goede binnenkomer of een gevatte opmerking verwerkt. Nou, daar hoefde ik in ieder geval niet lang over na te denken.’
Gelukkig kon de rechter de kwinkslagen in mijn pleidooi waarderen. Het zorgde voor een ongedwongen sfeer in de rechtbank. Net als voor mij was dit voor de rechter waarschijnlijk ook een leuke afwisseling op het complexere werk. De zitting verliep dus prima, al werd mijn cliënt, zoals verwacht, wel gestraft voor zijn flessentrekkerij. Als ik het me goed herinner, bleef het bij een voorwaardelijke straf.”
DE EVALUATIE
“Na deze zaak heb ik met veel plezier nog veel meer strafrechtzaken gedaan. Uiteindelijk begonnen de negativiteit en de ethische dilemma’s van de ernstigere zaken me toch tegen te staan. Daarom ben ik, inmiddels alweer jaren geleden, overgestapt naar het huurrecht. Ik houd me bezig met commercieel vastgoed. De complexe procedures die ik nu behandel, zijn heel andere koek dan die van de statiegeldsjoemelaar in mijn eerste jaar. Na die zaak ben ik flessentrekkerij – letterlijk óf figuurlijk – dan ook nooit meer tegengekomen. Maar als ik in de supermarkt de emballage-automaat zie, moet ik altijd even grinniken.”





