De kamer voor het notariaat in Den Haag heeft een notaris een berisping opgelegd omdat hij toestond dat een kandidaat-notaris van zijn kantoor als tolk optrad bij een gevoelig privégesprek tussen de broer van klager en diens verloofde. Daarmee ontstond twijfel over de onpartijdigheid van de notaris, een kernwaarde van het beroep.
Aandelenoverdrachten en herstructurering
De zaak draait om een notaris die betrokken was bij de ontvlechting van een onderneming uit een groter concern. Klager, voormalig bestuurder en aandeelhouder, had via zijn persoonlijke holding een minderheidsbelang. Na vastgelopen onderhandelingen over een management buy-out werd de broer van klager ingeschakeld om de deal vlot te trekken. In de jaren daarna passeerde de notaris meerdere akten van levering en begeleidde hij een financiële herstructurering, waarbij vennootschappen en een STAK werden opgericht.
Klager verweet de notaris onder meer dat akten zonder deugdelijke titel en op basis van vervalste handtekeningen waren gepasseerd, en dat hij een leeg vervangend aandeelhoudersregister had verstrekt. Deze klachtonderdelen strandden echter grotendeels op de klachttermijn: volgens artikel 99 lid 21 Wna moet een klacht binnen drie jaar na kennisname worden ingediend. Omdat klager al in 2022 op de hoogte was van het handelen dat hij de notaris verweet, terwijl de klacht pas in september 2025 werd ingediend, verklaarde de kamer de onderdelen over de aandelenoverdrachten, de volmachten en de AVA niet-ontvankelijk. Het klachtonderdeel over het aandeelhoudersregister werd inhoudelijk beoordeeld maar ongegrond verklaard, omdat de verantwoordelijkheid daarvoor bij het bestuur van de vennootschap ligt en niet is gebleken dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld.
Twijfel over onpartijdigheid
Wel gegrond verklaarde de kamer het onderdeel over de partijdigheid. In juli 2022 vond een gesprek plaats tussen de broer en de verloofde van klager, waarbij een Italiaans sprekende kandidaat-notaris van het kantoor als tolk optrad. Hoewel zij later stelde op persoonlijke titel te hebben gehandeld, was het contact tot stand gekomen na overleg met de notaris, die zijn goedkeuring gaf. De kamer overweegt dat de notaris de kandidaat-notaris niet in die positie had mogen brengen, en haar juist had moeten beschermen tegen deelname aan een gesprek dat zich op het grensvlak van zakelijk en privé bevond.
Door dit toe te staan, ontstond objectief gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid van de notaris, ook al is niet gebleken dat hij daadwerkelijk partijdig heeft gehandeld of dat klager schade heeft geleden. Omdat de kernwaarde van onafhankelijkheid ontwijfelbaar moet blijven, achtte de kamer een berisping passend. De notaris moet daarnaast het griffierecht en de proceskosten van klager vergoeden, evenals een bedrag van € 2.000,- aan behandelingskosten. Lees hier de hele uitspraak.






