Rechters moeten beter motiveren waarom strafzaken geheel of gedeeltelijk achter gesloten deuren worden behandeld. Dat blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam in opdracht van het WODC, waarin de spanning tussen openbare rechtspraak en de privacy en veiligheid van slachtoffers en procesdeelnemers centraal staat.
Het onderzoek, uitgevoerd door Sonja Meijer, Joke Harte en Suzanne Schot, verscheen op 24 september 2026. Aanleiding was een motie van CDA-Kamerlid Krul, waarin werd gevraagd te onderzoeken of verzoeken om strafzaken achter gesloten deuren te behandelen vaker kunnen worden gehonoreerd. Daarbij gaat het vooral om de bescherming van minderjarige slachtoffers en slachtoffers van seksuele misdrijven.
Volgens de onderzoekers biedt de huidige wetgeving al ruimte om strafzittingen geheel of gedeeltelijk besloten te behandelen. Toch gebeurt dat volgens geïnterviewde professionals zelden. Bovendien worden beslissingen hierover niet altijd voldoende onderbouwd.
Beslissingen nauwelijks controleerbaar
Een belangrijk knelpunt is dat de motivering van een beslissing om de deuren te sluiten doorgaans alleen in het proces-verbaal van de terechtzitting wordt opgenomen. Anders dan vonnissen en arresten worden deze processen-verbaal niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl.
Daardoor is voor buitenstaanders nauwelijks controleerbaar waarom een rechter besluit de openbaarheid te beperken. De onderzoekers adviseren daarom een wettelijke motiveringsplicht, waarbij de belangenafweging kenbaar wordt vastgelegd in een vonnis of arrest.
Het onderzoek leverde geen representatieve cijfers op over het aantal toegewezen en afgewezen verzoeken. Wel werden 39 relevante gepubliceerde uitspraken onderzocht. Daarvan betroffen er 13 een volledig besloten behandeling, 23 een gedeeltelijk besloten behandeling en drie een afgewezen verzoek.
Meer aandacht voor positie advocaten
Ook de veiligheid van advocaten krijgt nadrukkelijk aandacht. Volgens het rapport bestaat bij beveiligingsmaatregelen voor rechters en officieren van justitie het risico dat de positie van de (slachtoffer)advocaat onvoldoende wordt meegenomen.
Daarnaast signaleren de onderzoekers mogelijkheden om slachtoffers eerder juridische bijstand te bieden. Zo wordt het initiatief Juridische Opvang voor Slachtoffers van seksuele en geweldsmisdrijven genoemd, waarbij slachtoffers kort na aangifte met een advocaat in contact kunnen komen.
De onderzoekers adviseren verder om slachtoffers beter te informeren over hun mogelijkheden om een besloten behandeling te verzoeken en hun individuele beschermingsbehoeften tijdig vast te stellen.
Een algemene regel waarbij zedenzaken met minderjarige slachtoffers standaard achter gesloten deuren plaatsvinden, krijgt in het onderzoek geen brede steun. Volgens de onderzoekers blijft een individuele belangenafweging noodzakelijk om ook het recht van verdachten op een openbaar en eerlijk proces te waarborgen.












