Bij een gegrond opvolgend beroep tegen niet tijdig beslissen op een nareisaanvraag hoort in beginsel wegingsfactor 0,25 (zeer licht). Daarmee wijkt de rechtbank Den Haag af van een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, deed op 27 oktober 2026 uitspraak in een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op een nareisaanvraag. Een referent had in januari 2025 namens zijn echtgenote en kinderen aanvragen ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had de minister in december 2025 al opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen. Omdat de minister daaraan geen gevolg gaf, stelden eisers opnieuw beroep in.
Geen uitstel tot richtinggevende uitspraak
De minister verzocht de rechtbank de nadere beslistermijn pas te laten ingaan nadat de Afdeling een richtinggevende uitspraak over de gewijzigde nareisregels heeft gedaan. Het gaat om ongeveer 19.000 aanvragen die vóór 12 juni 2026 zijn ingediend. De rechtbank heeft begrip voor die behoefte, maar ziet dit als een organisatorische keuze van de minister. Zo’n keuze doet niet af aan de verplichting om binnen de opgelegde termijn te beslissen. Bovendien heeft de voorgestelde termijn geen concreet beginmoment, wat niet verenigbaar is met de systematiek van artikel 8:55d van de Awb. De rechtbank halveert het deel van de termijn dat voor de minister bedoeld is om te beslissen en legt een termijn van twee weken op. Daarbij hoort een dwangsom van € 50 per dag, met een maximum van € 15.000.
Wegingsfactor 0,5 geen vaste ondergrens
De kernvraag is welke wegingsfactor geldt bij de proceskostenvergoeding. Volgens de rechtbank is wegingsfactor 0,5 bij beroepen tegen niet tijdig beslissen een uitgangspunt en geen vaste ondergrens, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht een beoordeling van het gewicht van de concrete zaak verlangt. De rechtbank wijst erop dat de Afdeling tussen 2001 en 2016 consequent wegingsfactor 0,25 hanteerde. De koerswijziging in 2016 is destijds niet toegelicht.
De argumenten van de Afdeling uit haar uitspraak van 15 juni 2026 overtuigen de rechtbank niet. Dat beroepsgronden moeten worden ingediend, geldt voor iedere bestuursrechtelijke procedure. Op grond van het Procesreglement kan worden volstaan met de stelling dat het besluit te laat is genomen. Bij een opvolgend beroep hoeft de minister bovendien niet in gebreke te worden gesteld en hoeft de termijnoverschrijding niet opnieuw te worden onderzocht. De beoordeling beperkt zich tot een enkele kalendercheck.
Ook het belang van de zaak rechtvaardigt volgens de rechtbank geen hogere factor. Het beroep gaat uitsluitend over de voortgang van de procedure. Vanwege het fifo-principe leidt het in de praktijk niet tot snellere besluitvorming. Een standaard wegingsfactor van 0,5 zou daarnaast een ongewenste financiële prikkel kunnen geven om routinematig opvolgende beroepen in te dienen. Tot slot sluit een vergoeding op basis van 0,25 (€ 226,75) beter aan bij de Lichte Advies Toevoeging uit de gesubsidieerde rechtsbijstand.
De rechtbank zal dit uitgangspunt in toekomstige zaken hanteren. In deze specifieke zaak kent zij toch wegingsfactor 0,5 toe. De reden is dat principiële rechtsvragen aan de orde waren en de zaak door een meervoudige kamer is behandeld. De minister moet € 934 aan proceskosten vergoeden. Lees de hele uitspraak hier.












