De Staat heeft familieleden van een kroongetuige rond de bekendmaking van diens deal onvoldoende beschermd. Daarmee handelde het Openbaar Ministerie in strijd met de positieve verplichtingen uit artikel 2 EVRM, oordeelt de rechtbank Den Haag. Het sluiten van de kroongetuigendeal zelf was volgens de rechter niet onrechtmatig.
De zaak was aangespannen door directe familieleden van een kroongetuige in een strafproces tegen leden van een crimineel samenwerkingsverband. De verdachten worden onder meer vervolgd voor betrokkenheid bij moorden, pogingen tot moord, de voorbereiding van liquidaties en deelname aan een criminele organisatie.
Volgens de rechtbank bood de kroongetuigendeal het OM een unieke kans om een ontwrichtende en zeer gewelddadige criminele organisatie strafrechtelijk aan te pakken. Het besluit om met de kroongetuige in gesprek te gaan, de gesprekken voort te zetten en uiteindelijk een overeenkomst te sluiten, was niet onrechtmatig.
De familieleden stelden dat de deal vanwege de veiligheidsrisico’s nooit gesloten had mogen worden. Hun belangen hadden volgens hen zwaarder moeten wegen dan het opsporingsbelang. De rechtbank volgt hen daarin niet. Op het moment dat de gesprekken plaatsvonden, was niet duidelijk dat de familieleden niet tijdig en adequaat beschermd zouden kunnen worden. Het OM had volgens de rechtbank een navolgbare afweging gemaakt tussen de veiligheidsrisico’s en het belang van de bestrijding van zware georganiseerde criminaliteit.
OM kwam te laat in actie
Over de uitvoering van de bescherming is de rechtbank aanzienlijk kritischer. Het OM wist vanaf het begin van het traject in 2017 dat de kroongetuigendeal risico’s voor de familie zou opleveren. Ook was toen duidelijk dat met de familieleden moest worden gesproken over mogelijke veiligheidsmaatregelen.
Dat gebeurde aanvankelijk niet. Pas in januari 2018 nam het OM weer contact met hen op. Toen de deal in maart van dat jaar openbaar werd gemaakt, was slechts voor enkele familieleden iets geregeld.
Het OM heeft zich daarmee volgens de rechtbank onvoldoende voortvarend ingespannen. Het had eerder, grondiger en doortastender moeten optreden om de familieleden adequaat te beschermen. Door niet aan die inspanningsverplichting te voldoen, heeft de Staat onrechtmatig gehandeld en artikel 2 EVRM geschonden.
Artikel 2 EVRM beschermt het recht op leven. Daaruit kunnen voor de overheid ook positieve verplichtingen voortvloeien om personen te beschermen tegen concrete en voorzienbare levensbedreigende risico’s.
Geen verdere vergoeding
De vastgestelde schending leidt niet tot een verdere vergoeding voor de familieleden. Hoewel de gevolgen van de kroongetuigendeal volgens de rechtbank levensontwrichtend zijn geweest, heeft de Staat na de bekendmaking al hoge bedragen betaald.
De familieleden hebben onvoldoende toegelicht waarom die vergoedingen geen adequate compensatie vormen. Ook is niet aannemelijk geworden dat door het tekortschieten van het OM nog schade resteert die niet eerder is vergoed.
Uitspraak raakt actueel debat over kroongetuigen
Het oordeel verschijnt midden in het debat over de uitbreiding en verbetering van de kroongetuigenregeling. Het kabinet stuurde het wetsvoorstel Wet verbetering kroongetuigenregeling in maart 2026 naar de Raad van State.
Het voorstel maakt het mogelijk om ook verdachten van relatief minder zware misdrijven als kroongetuige in te zetten wanneer zij informatie kunnen geven over zware criminelen. Als normaal gesproken maximaal zes jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden geëist, kan die straf volgens het voorstel volledig worden omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Daarnaast moet in het Wetboek van Strafvordering een bijzondere zorgplicht van de Staat tegenover kroongetuigen en andere betrokkenen worden vastgelegd. De verdere uitwerking daarvan komt in een nieuw Besluit getuigenbescherming.
De Afdeling advisering van de Raad van State stelde haar advies over het wetsvoorstel op 22 juli 2026 vast en publiceerde het op 27 juli. De Afdeling vindt onder meer dat beter moet worden gemotiveerd waarom belangrijke rechten en plichten rond getuigenbescherming in een algemene maatregel van bestuur worden geregeld en niet in de wet zelf. Het kabinet moet het voorstel aanpassen of nader toelichten voordat het naar de Tweede Kamer kan.
De Nederlandse orde van advocaten pleitte eerder voor uitstel van de uitbreiding totdat de veiligheid van kroongetuigen, hun naasten en betrokken advocaten voldoende is gewaarborgd. De orde wees onder meer op het ontbreken van onafhankelijke toetsing van beschermingsafspraken en op de risico’s voor advocaten die kroongetuigen bijstaan.
De Haagse uitspraak kan dat debat verder aanscherpen. De rechtbank accepteert dat zwaarwegende opsporingsbelangen het sluiten van een kroongetuigendeal kunnen rechtvaardigen. Tegelijk maakt zij duidelijk dat de Staat zich tijdig en aantoonbaar moet inspannen om personen te beschermen die door de bekendmaking van zo’n deal voorzienbaar gevaar lopen.






