De Nederlandse transgenderwet die tussen 1985 en 2014 gold, heeft volgens onderzoekers niet alleen ingrijpende fysieke, psychologische en sociale schade veroorzaakt, maar ook fundamentele mensenrechten van transgender en intersekse personen geschonden. Dat blijkt uit het rapport Een onmenselijke wet, waarvoor 28 betrokkenen zijn geïnterviewd.
De oude transgenderwet stelde vergaande voorwaarden aan mensen die hun wettelijke geslachtsregistratie wilden wijzigen. Zij moesten onder meer onomkeerbaar onvruchtbaar en ongehuwd zijn en lichamelijk ‘aan het wensgeslacht aangepast’ zijn, voor zover dat medisch of psychologisch verantwoord werd geacht. De voorwaarden vervielen per 1 juli 2014.
Onderzoekers van de Radboud Universiteit brachten met 28 diepte-interviews in kaart hoe transgender en intersekse personen deze wettelijke eisen hebben ervaren. Volgens de onderzoekers laten de gesprekken bredere patronen van schade en leed zien.
Inbreuk op lichamelijke autonomie
Uit de interviews komen onder meer verlies van zeggenschap over lichaam en leven, verlies van vruchtbaarheid en toekomstperspectief, blijvende lichamelijke complicaties en rouw naar voren. Betrokkenen ervoeren bovendien vaak weinig ruimte om hun eigen behoeften en alternatieven te onderzoeken.
De titel Een onmenselijke wet verwijst naar de mensenrechten die volgens de onderzoekers door de wettelijke voorwaarden zijn geschonden. De eisen raakten onder meer aan de lichamelijke integriteit, zelfbeschikking en het privé- en gezinsleven van betrokkenen.
Aansprakelijkstelling van de Staat
Aanleiding voor het onderzoek was mede de aansprakelijkstelling van de Staat in 2019 door het Transgender- en Interseksecollectief wegens geleden materiële en immateriële schade. Hoewel de aansprakelijkstelling buiten de wettelijke verjaringstermijn plaatsvond, besloot de Staat vanwege de ingrijpende aard van de wet tot een onverplichte financiële tegemoetkoming, publieke erkenning en excuses.
Ook zegde de Staat onderzoek toe naar de ervaringen van betrokkenen. Het rapport is in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgevoerd en op 8 oktober aan de Tweede Kamer gestuurd.










