Een Haagse advocaat is opnieuw geschorst omdat hij, ondanks een lopende schorsing, in toga optrad voor een cliënt bij de politierechter in Rotterdam. De Raad van Discipline in Den Haag legt hem daarvoor een nieuwe onvoorwaardelijke schorsing op en laat eerder voorwaardelijk opgelegde weken deels alsnog ten uitvoer leggen.
De deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag diende een dekenbezwaar én een verzoek tot tenuitvoerlegging in, nadat de rechtbank had gemeld dat de advocaat op 17 november 2025 voor een cliënt was verschenen bij de politierechter. Op dat moment liep een onvoorwaardelijke schorsing van twee weken, die op 7 november 2025 was ingegaan na een eerdere gegronde klacht van een cliënte en een separaat gegrond dekenbezwaar in juli 2025. De deken had de advocaat vooraf schriftelijk en mondeling gewezen op de schorsingsvoorwaarden, waaronder het verbod om de rechtspraktijk – procederen én adviseren – uit te oefenen en het verbod om de advocatentitel te voeren of als gemachtigde op te treden.
Schorsing genegeerd
Ondanks die duidelijke voorwaarden trad de advocaat op 17 november 2025 toch in toga op voor zijn cliënt. Hij meldde zijn schorsing pas na de voordracht van de officier van justitie en pas toen de rechter daar expliciet naar vroeg; de zaak is in het belang van de cliënt aangehouden. De Raad kwalificeert dit gedrag als een ernstige inbreuk op het vertrouwen in de professionaliteit van de advocatuur en noemt het optreden van de advocaat beschamend.
De advocaat voerde aan dat hij door een misverstand over de ingangsdatum in september al een week zijn praktijk had stilgelegd en dat hij door late berichtgeving over de daadwerkelijke ingangsdatum in november feitelijk “dubbel” werd geraakt. Ook stelde hij dat een collega zich pas kort voor de zitting had afgemeld, waardoor hij zelf is gegaan om slechts om aanhouding te vragen. De Raad volgt hem daarin niet: ook als sprake was van miscommunicatie, had hij de kwestie over de “verrekening” met de deken moeten bespreken.
Nieuwe en gedeeltelijke schorsing
Omdat de advocaat zijn schorsingsvoorwaarden heeft overtreden, verklaart de Raad het dekenbezwaar gegrond. Gelet op de ernst van het verwijt en zijn tuchtrechtelijk verleden wordt een nieuwe onvoorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd, die aansluitend op eerder onherroepelijk geworden schorsingen zal worden uitgevoerd. Daarnaast gelast de Raad een gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de al in juli 2025 opgelegde voorwaardelijke schorsing van acht weken: twee weken worden nu alsnog ten uitvoer gelegd, terwijl zes weken voorwaardelijk blijven, inclusief de daaraan verbonden voorwaarden zoals een coachingstraject. De advocaat wordt bovendien veroordeeld tot betaling van 1.250 euro aan proceskosten aan de Nederlandse Orde van Advocaten.






