Een voormalig raadsheer van het gerechtshof Den Haag stelt dat werkdruk, begrotingsproblemen en een hoge voorraad strafzaken hebben geleid tot het vals ondertekenen van tientallen arresten. Tijdens een pro-formazitting stonden de verklaringen van de verdediging tegenover het standpunt van het Openbaar Ministerie, dat de integriteit van de rechtspraak centraal stelt.
Verdediging wijst op organisatieproblemen
Het NRC meldt dat de voormalig raadsheer van het gerechtshof Den Haag, die wordt vervolgd wegens valsheid in geschrift, via zijn advocaat stelt dat zijn handelen voortkwam uit structurele problemen binnen het gerechtshof. Volgens de verdediging brachten begrotingsdruk, een grote achterstand aan strafzaken en de financieringssystematiek hem ertoe tientallen arresten onjuist te ondertekenen.
Eind 2023 kwam aan het licht dat in 43 strafzaken uitspraken waren voorzien van de namen van drie raadsheren, terwijl de zaken feitelijk door één rechter waren afgedaan. Daardoor werd de indruk gewekt dat sprake was van een meervoudige kamer. Voor dergelijke uitspraken ontvangt een gerecht een hogere vergoeding dan voor zaken die door één rechter worden behandeld. Als gevolg hiervan declareerde het gerechtshof volgens eerdere berichtgeving ongeveer 110.000 euro te veel bij de Raad voor de rechtspraak.
Volgens de advocaat was deze werkwijze binnen het gerechtshof bekend bij verschillende leidinggevenden, raadsheren, griffiers en advocaten-generaal van het Openbaar Ministerie. Hij benadrukte dat zijn cliënt uitsluitend handelde in het belang van het gerechtshof en daar persoonlijk geen financieel voordeel aan heeft overgehouden.
OM benadrukt integriteit van de rechtspraak
De verdediging schetste dat tijdens de coronaperiode een pilot werd gestart om achterstanden weg te werken door bepaalde strafzaken enkelvoudig af te doen. Volgens de advocaat ontstond daarbij een werkwijze waarbij een raadsheer de zaak behandelde en twee andere raadsheren vervolgens het arrest ondertekenden om de hogere vergoeding voor een meervoudige behandeling te behouden. De verdachte zou ervoor hebben gekozen deze laatste stap over te slaan door zelf de namen van collega’s onder de arresten te plaatsen.
Het Openbaar Ministerie betwist dat collega’s op vergelijkbare wijze te werk gingen. Volgens de officier van justitie is daarvan tijdens het strafrechtelijk onderzoek niets gebleken. Ook zou de verdachte tweemaal een reeds opgemaakt arrest alsnog hebben vervalst en een collega-raadsheer hebben geprobeerd over te halen dezelfde werkwijze te hanteren.
De verdediging verzocht tevergeefs het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Volgens het OM rechtvaardigen de ernst van de verdenkingen én het algemeen belang van de integriteit van de rechtspraak de vervolging. Strafrechtelijke vervolging van rechters is in Nederland hoogst uitzonderlijk.





