Mogen ondernemingen binnen Europa twee keer worden vervolgd en bestraft voor hetzelfde bedrijfsschandaal? Die vraag staat centraal in recente procedures rond onder meer Shell en Volkswagen. Hoewel het ne bis in idem-beginsel dubbele bestraffing moet voorkomen, blijkt de toepassing daarvan in grensoverschrijdende zaken niet altijd vanzelfsprekend. Francien Rense bespreekt hoe rechters omgaan met verschillen tussen nationale rechtssystemen en welke bescherming ondernemingen daaraan kunnen ontlenen.
Naarmate de aanpak van bedrijfsschandalen gebruikelijker wordt en vaker voorkomt, niet alleen in Nederland, maar ook in andere landen van Europa, komt indringer het risico op dat ondernemingen tweemaal voor hetzelfde schandaal zouden kunnen worden vervolgd en bestraft door en in verschillende Europese landen. Hoewel het voor de hand lijkt te liggen dat ook bedrijven niet tweemaal mogen worden vervolgd en bestraft voor “hetzelfde feit”, bleken aan dat uitgangspunt in die context de nodige haken en ogen te zitten, die ondermijning van het uitgangspunt mogelijk maken. Daar maakten de autoriteiten gebruik van.
Wanneer is sprake van hetzelfde feit?
Om te beginnen is daar de discussie over de interpretatie van “hetzelfde feit”. Je kunt dat begrip strikt juridisch uitleggen en alleen spreken van “hetzelfde feit” als exact hetzelfde strafbare feit, verwijt aan de orde is; terwijl je die vraag ook meer materieel-inhoudelijk kunt benaderen en vooral kunt kijken naar de achterliggende en aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, het totale feitencomplex.
Grensoverschrijdende vervolging van ondernemingen
In het geval van bedrijfsschandalen komt daarbij dat niet altijd zonder meer sprake is van exact dezelfde verdachte(n), althans niet van exact dezelfde betrokkenen in exact gelijke juridische posities. In het ene land wordt de ene onderneming uit het concern aangesproken en in het andere land de andere onderneming. Meestal bepaald door de link, relatie tussen het land dat optreedt en de onderneming binnen het concern die wordt aangesproken; veel meer dan door de relatie tussen het feitencomplex en die onderneming. Bovendien kunnen in sommige landen alleen personen strafrechtelijk worden aangesproken en ondernemingen niet, terwijl dat laatste in andere landen wel tot de juridische opties behoort.
Kortom, de autoriteiten gebruikten verschillen in de juridische systemen, het juridisch instrumentarium om te betogen dat niet van “hetzelfde feit” en niet van “dubbele bestraffing” sprake zou zijn. Zo werd in een Nederlandse zogenoemde artikel 12-Sv-klachtprocedure betoogd dat Shell nog eens in Nederland zou kunnen worden vervolgd voor een corruptiezaak die al zeer uitgebreid en onherroepelijk door de Italiaanse autoriteiten en rechter werd onderzocht en beoordeeld. En zo werd Volkswagen door de Nederlandse ACM beboet voor feiten en overtredingen waarvoor de Duitse autoriteiten haar al een meer dan aanzienlijke boete oplegden.
De rechter geeft duidelijkheid over ne bis in idem
Gelukkig bieden de uitspraken van de rechters in de beide zaken heldere en overtuigende overzichten van en inzichten in de vragen die aan de orde horen te zijn en door de autoriteiten zouden moeten worden beantwoord, alvorens zij beslissen in een Europese grensoverschrijdende zaak van non-compliance nog eens het pad van onderzoek, vervolging en bestraffing op te gaan. Ik vat ze, in mijn eigen woorden, samen.
- Is er of wordt er in een andere EU lidstaat, in een bestraffend kader, geoordeeld over dezelfde feiten en omstandigheden, hetzelfde feitencomplex alsook verwijten die naar hun inhoud en strekking gelijk/vergelijkbaar zijn?
- Waarbij geen sprake hoeft te zijn van exact dezelfde strafbare feiten, verwijten noch van exact dezelfde verdachte(n), althans exact dezelfde betrokkenen, in exact gelijke juridische posities.
- Als het antwoord op vraag 1) bevestigend luidt, is er geen ruimte meer voor onderzoek, vervolging en bestraffing in een andere EU lidstaat. Daaraan staat dan het zogenoemde ne bis in idemi-beginsel in de weg.
Zoals de rechter het in de Volkswagen-zaak treffend verwoordde: “Met het oog op de verschillen tussen nationale wettelijke stelsels (..) is van belang dat die verschillen geen afbreuk behoren te doen aan het ne bis in idem-beginsel. Het Hof van Justitie heeft in vaste rechtspraak (..) geoordeeld dat het (..) verankerde ne bis in idem-beginsel (..) impliceert dat de lidstaten wederzijds vertrouwen hebben in hun respectieve rechtssystemen en dat elke lidstaat de toepassing van het in de andere lidstaten geldende strafrecht aanvaardt, ook indien zijn eigen strafrecht tot een andere oplossing zou leiden”.
En terecht.
Francien Rense, partner Greenberg Traurig Amsterdam




