Het gerechtshof Amsterdam heeft een nieuwe pilot gelanceerd: rechters in hoger beroep heten op de bordjes in de zittingszaal voortaan “rechter in hoger beroep” in plaats van ‘raadsheer’ — een titel die al eeuwen gangbaar is. Raadsheer Sannah Hübel presenteert het als een heldere, inclusieve en genderneutrale stap. Binnen de eigen kring wordt het toegejuicht als een “mooie kleine stap”. Buiten die kring roept het vooral een andere vraag op: is dit werkelijk de prioriteit van de rechtspraak?
“Raadsheer” is geen ouderwetse, mannelijke benaming die vrouwen uitsluit. Het is een historische ambtstitel, vergelijkbaar met “hoogleraar”, “minister” of “voorzitter” — termen die in veel talen en culturen zonder problemen worden gebruikt. Ook in Nederland lijkt historische terminologie steeds vaker plaats te moeten maken voor functionele en genderneutrale omschrijvingen.
Opmerkelijk genoeg vervangt de pilot de traditionele titel ‘raadsheer’ niet door een nieuwe ambtstitel, maar door een functionele omschrijving. Daarmee verschuift de discussie van historische terminologie naar hedendaags taalgebruik, zonder dat duidelijk is welk concreet probleem wordt opgelost. Het voelt vooral als een administratief eufemisme om het woord “heer” te vermijden.
Symboolpolitiek terwijl de achterstanden oplopen
Dit lijkt vooral een symbolische taalverandering die weinig bijdraagt aan de kerntaken van de rechtspraak. Juist op een moment dat de rechtspraak kampt met grote achterstanden en personeelstekorten, gaat de aandacht uit naar het bordje in de zittingszaal. Alsof een taalwijziging ook maar één zaak sneller oplost, één vonnis begrijpelijker maakt of één slachtoffer beter beschermt. Het is symboolpolitiek in pure vorm: zichtbaar, goedkoop en vooral gericht op uitstraling in plaats van resultaat.
Daar komt een praktisch-juridisch bezwaar bij. Formeel blijft “raadsheer” in wetgeving, processtukken en arresten doorgaans gewoon gehandhaafd. Dergelijke halfslachtige aanpassingen leiden vooral tot inconsistentie in plaats van de gewenste “helderheid”. Burgers zien op het bordje “rechter in hoger beroep”, terwijl de rechter formeel nog als raadsheer fungeert en arresten meestal met die titel ondertekend worden.
Taal is geen neutraal instrument
De voorstanders beweren dat “raadsheer” voor leken onbegrijpelijk is. Dat kan een legitiem punt zijn, maar dan is betere communicatie toch een logischer oplossing dan een omslachtige nieuwe benaming? Niemand roept om “procureur” of “griffier” af te schaffen omdat die termen ook niet meteen helder zijn voor Jan met de pet.
Taal is geen neutraal instrument dat je naar believen kunt herinrichten zonder consequenties. Wie historische en organisch gegroeide termen steeds opnieuw ter discussie stelt vanuit hedendaagse taalopvattingen, loopt het risico de continuïteit en herkenbaarheid van instituties te verzwakken. De rechterlijke macht ontleent haar gezag naar mijn mening juist deels aan traditie en onpartijdigheid — niet aan het meedoen aan de nieuwste taalmode. Niet de naam op de deur telt, maar de kwaliteit van de rechtspraak erachter.
Je zou toch willen dat het gerechtshof geen bordje voor de kop heeft.





