Een kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de verhogingen van de Wahv-boetes in 2024 en 2025 onevenredig zijn. Nu andere kantonrechters tot een ander oordeel komen, lijkt hogere rechtspraak nodig om duidelijkheid te scheppen.
De rechtbank Midden-Nederland heeft bekendgemaakt dat een kantonrechter in twee zaken heeft geoordeeld dat de verhogingen van verkeersboetes op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in 2024 en 2025 geen stand houden. Volgens de rechtbank heeft de regering onvoldoende gemotiveerd waarom de algemene verhogingen, tegen de achtergrond van de bestaande scheefgroei binnen het boetestelsel, gerechtvaardigd waren.
Per 1 maart 2024 werden de vaste Wahv-boetes met ongeveer 10 procent verhoogd. Die verhoging bestond uit een inflatiecorrectie en een beleidsmatige opslag. Een jaar later volgde een inflatiecorrectie van 3,2 procent. In beide procedures oordeelde de kantonrechter dat deze verhogingen onevenredig zijn en bracht hij de opgelegde boetes terug naar het tarief van 2023.
Evenredigheidsbeginsel begrenst beleidsruimte
De kantonrechter sluit volgens de rechtbank aan bij het rapport Boetestelsels in balans, dat in 2023 in opdracht van het Openbaar Ministerie is opgesteld. Daarin wordt geconstateerd dat verkeersboetes in de loop der jaren aanzienlijk sterker zijn gestegen dan boetes voor andere strafbare feiten, waardoor een disbalans is ontstaan.
Ook wijst de rechtbank erop dat de Afdeling advisering van de Raad van State eerder adviseerde terughoudend te zijn met verdere verhogingen zolang niet inzichtelijk was gemaakt hoe deze zich verhielden tot het bredere sanctiestelsel. Desondanks besloot de regering de boetes in 2024 te verhogen, waarbij onder meer werd gewezen op het tekort op de Rijksbegroting en het ontbreken van politiek draagvlak voor een bevriezing of verlaging van de boetes.
Volgens de kantonrechter kunnen dergelijke overwegingen de verhogingen niet dragen. De rechtbank overweegt dat verkeersboetes niet mogen worden gebruikt als instrument om begrotingstekorten op te vangen. De politieke beleidsruimte van de regering wordt volgens de kantonrechter begrensd door het evenredigheidsbeginsel, dat de rechter kan toetsen.
Verdeeldheid onder kantonrechters
De uitspraken betekenen nog niet dat sprake is van een bestendige rechtslijn. De rechtbank meldt dat twee andere kantonrechters van dezelfde rechtbank zich diezelfde week eveneens over de verhogingen hebben uitgesproken, maar tot verschillende uitkomsten kwamen. Eén kantonrechter volgde het oordeel dat de verhogingen onevenredig zijn, terwijl een andere oordeelde dat de regering binnen haar politieke beoordelingsruimte is gebleven.
Daarmee is de juridische discussie nog niet beslecht. Zoals de rechtbank zelf aangeeft, zal moeten blijken hoe andere rechtbanken, het gerechtshof en mogelijk de Hoge Raad zich over de rechtmatigheid van de verhogingen zullen uitlaten.





