Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de Staat vrouwelijke rechters in opleiding jarenlang ongelijk heeft beloond door het hanteren van het criterium ‘laatstverdiend salaris’. Ook in drie individuele gevallen blijkt sprake van ongelijke beloning tussen vrouwelijke rechters en mannelijke collega’s voor gelijkwaardig werk.
Het College boog zich over één collectieve en drie individuele zaken rond de beloning van vrouwelijke rechters. In de collectieve zaak stond het inschalings- en beloningsbeleid centraal, dat sinds 1994 uitging van het laatstverdiende salaris bij de overstap naar de rechterlijke macht. Dit criterium koppelt de inschaling aan het eerdere loon, zonder voldoende ruimte te laten voor de waardering van relevante ervaring en zonder veel te zeggen over de waarde van de nieuwe functie. Volgens het College leidt dit gemakkelijk tot ongerechtvaardigde beloningsverschillen, bijvoorbeeld tussen een ervaren jurist uit de sociale advocatuur met een laag salaris en een jurist uit de commerciële advocatuur met minder ervaring maar een hoger loon.
Indirect onderscheid niet gerechtvaardigd
Uit onderzoek van Erasmus Q-intelligence blijkt dat binnen de groep rechters in opleiding een statistisch significant beloningsverschil bestaat van gemiddeld 3,5% in het voordeel van mannen, dat oploopt naarmate de leeftijd stijgt. Het College ziet hierin een vermoeden van indirect onderscheid op grond van geslacht en stelt vast dat de Staat dit vermoeden niet heeft kunnen ontkrachten. Wel acht het College de door de Staat genoemde doelen, het voorkomen van een te grote inkomensachteruitgang bij overstap en het aantrekken van voldoende gekwalificeerde kandidaten, legitiem en het hanteren van het laatstverdiend salaris een geschikt middel om gekwalificeerde kandidaten aan te trekken. Het middel is echter niet noodzakelijk, omdat minder onderscheid makende alternatieven mogelijk waren, zoals algemene salarisverhogingen, betere afstemming op arbeidsmarktomstandigheden en tijdelijke toeslagen bij grote tekorten.
Individuele zaken en vervolg
Voor de beloning na benoeming tot rechter komt het College tot de conclusie dat er onvoldoende feiten zijn voor een vermoeden van discriminatie, omdat uit het onderzoek geen statistisch significant beloningsverschil blijkt. In de drie individuele zaken stelt het College echter vast dat vrouwelijke rechters minder verdienden dan mannelijke maatmannen die (nagenoeg) gelijkwaardige arbeid verrichtten, zonder dat objectieve criteria als kennis en ervaring het verschil konden verklaren. In één geval ontving de mannelijke collega maandelijks bruto 1.914,65 euro meer dan de vrouwelijke collega, terwijl zij nagenoeg dezelfde werkervaring hadden.
Het College oordeelt dat het criterium ‘laatstverdiend salaris’ onvoldoende aansluit bij de waardering van relevante werkervaring en geen geldige reden kan zijn voor beloningsverschillen bij gelijkwaardige arbeid. De Staat discrimineerde daarmee vrouwelijke rechters in opleiding en in de drie individuele zaken. De oordelen zijn niet juridisch bindend, maar de Staat heeft in juli 2024 een nieuw inschalings- en beloningsbeleid ingevoerd dat met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2023 wordt toegepast en waarin niet langer naar het laatstverdiende loon wordt gevraagd. Het ligt nu op de weg van de Staat om te bekijken welke mogelijkheden er zijn voor financiële compensatie van de betrokken rechters.







