Ex-marinier en oud-commando Stefan Jansen werd na een militaire carrière advocaat-stagiair bij Sjöcrona Van Stigt Advocaten in Rotterdam. Zijn patroon is Sabine ten Doesschate. Wat kenmerkt hun band en wat leren ze van elkaar?
“Ik heb als militair in landen gewerkt waar een recht op een eerlijk proces niet vanzelfsprekend is. Als de rechtsstaat niet goed functioneert, geldt het recht van de sterkste en beïnvloedt dat de hele samenleving. Van dat disfunctioneren profiteert enkel de elite, voor de rest van de bevolking is het slecht”, zegt Stefan Jansen (40).
Sinds 2024 is hij advocaat-stagiair bij Sjöcrona Van Stigt Advocaten. Daarvoor werkte Jansen eerst vijf jaar bij het Korps Mariniers en vervolgens twaalf jaar bij de Special Forces van de Landmacht, het Korps Commandotroepen. Hij werd meerdere keren uitgezonden, zoals naar Afghanistan en Mali.
Door zijn defensieverleden weet de strafpleiter als geen ander hoe waardevol een democratische rechtsstaat is en is hij ‘zeer gedreven’ om zich daarvoor in te zetten. “Door het controleren van de macht en waar nodig tegengas te bieden, helpt de strafrechtadvocatuur de rechtsstaat te handhaven.”
Als militair ging hij rechten studeren om zich ‘intellectueel te verbreden’. Gaandeweg ontwikkelde hij een voorkeur voor het strafrecht. Nog één jaar en dan is hij stagiair af. Tot die tijd begeleiden strafpleiters Sabine ten Doesschate (45) en Caroline de Sitter hem. Ten Doesschate is formeel zijn patroon.
Terwijl zij zich hoofdzakelijk bezighoudt met het bijzonder strafrecht, en dan vooral financieel-economische strafzaken, ligt bij Jansen de nadruk meer op het commune strafrecht. Daarnaast staat hij politieagenten bij. “Dit past bij mijn militaire achtergrond.”
Vertel!
Jansen: “Als politieagenten geweld gebruiken en iemand gewond raakt, kan de Rijksrecherche of het Bureau Veiligheid, Integriteit en Klachten een onderzoek instellen. Ons kantoor vertegenwoordigt de agenten.
Als militair heb ik stressvolle situaties meegemaakt. Er gebeuren dan meerdere dingen tegelijk en het kan moeilijk zijn om juiste beslissingen te nemen. Door mijn achtergrond begrijp ik beter wat de politieagenten hebben meegemaakt dan iemand zonder die ervaring.”
Sabine, jij begon bij Nysingh in Zwolle. Wie was jouw patroon?
Ten Doesschate: “Jan-Paul van Barneveld, hoofd van de strafsectie die Nysingh toen nog had. Een buitengewoon intelligente man met een ijzersterk geheugen. Het type van ‘trek maar aan de bel als je er niet uitkomt’. Deed ik dat, dan schudde hij een arrest uit zijn mouw. Daarna kon ik verder. Ik vond het prettig dat hij geen micromanagementbegeleider was.
Niet bij iedereen die ik begeleid, werkt het op die manier. Ik heb geleerd dat ik soms te makkelijk denk dat iemand aan enkele woorden genoeg zou moeten hebben. Tegenwoordig probeer ik duidelijker te zijn.”
Jansen: “Aan dat beknopte moest ik wennen. Door Sabines opmerkingen ben ik vooral kritischer gaan kijken naar mijn werk en anticipeer ik op haar feedback. Net als bij veel andere beginners is beknopt schrijven een aandachtspunt. Stuurde ik mijn stuk naar Sabine, dan schrapte ze de helft.”
Ten Doesschate, lachend: “Kill your darlings.”
Jansen: “Zo’n opmerking gaat in je systeem zitten. Ik bekijk mijn stukken nu anders dan eerst en neem de tijd om te kijken wat weg kan.”
Wat heb jij van je patroon geleerd?
Ten Doesschate: “Véél. Maar ik denk dat ik me vooral Jan-Pauls hele manier van werken eigen heb gemaakt. Een stapje terug: waar hebben we het eigenlijk over? Wat zijn de juridische kaders? En dan vervolgens op een analytische manier de casus ontleden.
Ik hoef Stefan niet te leren dat hij gestructureerd moet werken. Dat doet hij van nature al. Wel stimuleer ik hem om zijn gedachten wat vaker eerst, of ook, los van de kaders te vormen. Je kunt daarna altijd nog kijken of ze wel of niet in een hokje passen.
Wanneer je stuk klaar is, helpt het om de inhoud in grote lijnen op een A4-tje te zetten, via vragen zoals: wat is mijn doel, welke feiten en argumenten bewijzen mijn gelijk, wat concludeer ik? Je verhaal moet in die lijn passen anders heb je een verkeerde afslag genomen.”
Jansen: “Tijdens het schrijven ontstaat er soms een lijn in je hoofd die je vervolgens uitwerkt. Ben ik klaar, dan ga ik altijd terug naar de basis, mijn A4-tje. Soms pas ik dan mijn verhaal aan en zoek ik bijvoorbeeld naar meer jurisprudentie. Ik herinner me nog dat Sabine in het begin de feedback gaf om de tenlastelegging nog eens goed te bekijken. Nu doe ik dat automatisch.”
Ten Doesschate: “Best vreemd dat ik Stefan soms uitleg hoe iets moet, terwijl hij veel heftigere dingen heeft meegemaakt dan ik.”
Stefan?
Jansen: “Daar heb ik geen moeite mee. Toen ik hier begon, wist ik dat ik veel moest leren. Ik had ervaring als militair en niet als advocaat. Onze werkrelatie is prettig professioneel. Sabine is professioneel, maar benaderbaar.
Ze kan iets wat juridisch complex is, bijvoorbeeld voorwaardelijk opzet, in een paar heldere zinnen aan niet-juristen uitleggen. Dat lukt alleen als je de stof volledig beheerst en boven de materie staat. Deze skill blijkt ook uit haar feedback aan mij. Bekijkt ze een stuk, dan haalt ze razendsnel – en soms zonder dat ze het dossier kent – de verbeterpunten eruit. Heel kernachtig. Ik weet dan welke kant ik op moet.”
Ten Doesschate: “De kern van ons vak is dat je nadenkt over hoe je iets helder uitlegt – aan cliënten, aan rechters. Hij heeft daar niet veel sturing bij nodig. Stefan communiceert goed. Hij zegt duidelijk wat hij belangrijk vindt en wat hij wil dat er gebeurt. Heel no-nonsense. Daar kan ik van leren; ik laat soms te veel aan de verbeelding over.”
Wat valt ook op?
Ten Doesschate: “Dat hij stressbestendig is en veel verantwoordelijkheid pakt, zowel naar cliënten als kantoorgenoten. Als er via de kantoorapp wordt gevraagd een zaak op te pakken, duikt hij nooit weg.”
Jansen: “Vooral bij de commando’s is het er ingestampt: doe wat nodig is en niet wat comfortabel is. Wordt er zaterdags gevraagd om te helpen, dan kun je wegduiken omdat je weekend hebt. Maar zo zit ik niet in elkaar. Ik doe dan wat nodig is en pak ‘t op. Oók als de zaak complex is. Ik ga een hoop leren, denk ik dan, zo krijg ik het vak eerder onder de knie.”
De toekomst?
Ten Doesschate: “Stefan heeft vooral commune strafzaken gedaan. We gaan de aandacht wat verleggen naar het bijzonder strafrecht. Grotere en juridisch complexere strafzaken, waaronder financieel-economische.”
Jansen: “Ik zit hier op mijn plek en kijk niet te ver vooruit. Ik focus me liever op wat ik nu goed moet doen: mijn advocaat-stage afronden.
Ik heb al mooie zaken gedaan, zoals eentje waarbij mijn cliënt werd verdacht van het wederrechtelijk aanwezig zijn op een haventerrein. De politie vond hem daar met een ernstig gewonde jongen. Mijn cliënt had hem gesteund terwijl hij wist dat dit hem in de problemen zou brengen.
Dit gedrag valt binnen de kernwaarden van de commando’s: moed is doen wat noodzakelijk is, ongeacht de consequenties voor jezelf. Ik heb dit benoemd en met succes aangevoerd als strafverminderende omstandigheid.”
Ten Doesschate: “Ik zie mezelf dit nog jaren doen. Het is mooi als een zaak, na lang en hard werken, met een goed resultaat eindigt. Zeker als iedereen het tegenovergestelde verwacht.
Een voorbeeld? Het MH17-proces. Samen met kantoorgenoot Boudewijn van Eijck verdedigde ik een van de vier verdachten. Drie jaar lang werkten wij intensief toe naar het enige vonnis dat volgens ons terecht zou zijn. De uitspraak was een belangrijk moment voor de rechtsstaat én mijn rol als advocaat.
Het recht op een eerlijk proces is een fundamentele pijler van de rechtsstaat, en de verdediging speelt daarin een onmisbare rol. Wij waren er oprecht van overtuigd dat vrijspraak de enige juiste uitkomst was. Een veroordeling zou mijn vertrouwen in de rechtspraak hebben geschaad. Ik zou het dan moeilijk hebben gevonden om te blijven geloven dat mijn werk bijdraagt aan het behoud van de rechtsstaat. Ik was bang dat ik mijn vuur voor het vak dan zou verliezen. Gelukkig volgde een vrijspraak en is dat niet gebeurd.”






