Vrouwelijke rechters en officieren die jarenlang ongelijk zijn beloond, kunnen mogelijk rekenen op een eerste financiële tegemoetkoming. Met een aangenomen amendement is 5 miljoen euro vrijgemaakt om een regeling te ontwikkelen die vooral bedoeld is als erkenning van de ervaren benadeling.
Die regeling wordt de komende tijd uitgewerkt in het overleg tussen rechterlijke macht en ministerie, waarbij de NVvR nadrukkelijk inzet op zichtbare erkenning van de ongelijke behandeling in het verleden.
Eerste stap naar compensatie
Bij de vaststelling van de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid is op 24 maart een amendement aangenomen dat 5 miljoen euro reserveert voor een eerste financiële tegemoetkoming voor vrouwelijke rechters en officieren die ongelijk zijn beloond. Het gaat om magistraten die door het gehanteerde criterium “laatstverdiend loon” in een nadelige positie zijn gekomen. Volgens het amendement heeft dit criterium geleid tot ongelijke behandeling van vrouwelijke rechters en officieren.
Per 1 juli 2023 is met een nieuw inschalingsbeleid een einde gemaakt aan deze ongelijke beloning. Daarmee is de huidige situatie voor nieuwe instromers verbeterd, maar de positie van vrouwelijke magistraten die vóór 1 juli 2023 in dienst traden, is daarmee niet gerepareerd. Voor deze groep is de benadeling feitelijk niet meer ongedaan te maken, constateren de indieners van het amendement.
Erkenning via financiële tegemoetkoming
De indieners benadrukken dat een financiële tegemoetkoming voor deze groep vrouwelijke magistraten vooral een grote immateriële waarde kan hebben. Het gaat nadrukkelijk om een blijk van erkenning van de ongelijke behandeling in het verleden. Met de vrijgemaakte 5 miljoen euro willen zij een start maken met een regeling die deze erkenning mogelijk maakt.
De precieze vormgeving van de tegemoetkoming wordt besproken in het Sectoroverleg Rechterlijke Macht (SORM), waar werknemers (vertegenwoordigd door de NVvR) en werkgever (het ministerie van Justitie en Veiligheid) over arbeidsvoorwaarden en rechtspositie spreken. Op 26 maart 2026 staat een overleg gepland waarin de NVvR de minister opnieuw zal wijzen op het belang van erkenning en zal vragen naar de uitwerking van de compensatieregeling.
De NVvR onderstreept daarbij dat zij samen met de minister uitsluitend verantwoordelijk was voor het vaststellen van het criterium “laatstverdiend loon” (met een mogelijkheid tot positieve afwijking) en de salarisschalen. De Raad voor de rechtspraak en het Parket-Generaal hebben vervolgens eigen beleidsregels opgesteld, waarin de invulling van de afwijkingsmogelijkheid door de jaren heen varieerde. Op deze eenzijdig opgestelde beleidsregels had de NVvR geen invloed.






