De rechtbank Den Haag oordeelt dat de Nederlandse Staat de inwoners van Bonaire onvoldoende beschermt tegen de gevolgen van klimaatverandering en hen ongelijk behandelt ten opzichte van inwoners van Europees Nederland. De Staat moet zowel een specifiek beschermingsplan voor Bonaire opstellen als heldere en bindende nationale klimaatdoelen vastleggen.
De klimaatzaak is aanhangig gemaakt door Greenpeace Nederland, dat in een WAMCA‑procedure optreedt voor de inwoners van Bonaire. De rechtbank toetst of de Staat voldoende tijdige en passende maatregelen heeft genomen om Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie) en of het Nederlandse klimaatbeleid voldoet aan de eerlijke bijdrage (‘fair share’) die voortvloeit uit het VN‑Klimaatverdrag en het Akkoord van Parijs (mitigatie). Volgens Greenpeace voldoen de mitigatie‑ en adaptatiemaatregelen niet aan de verplichtingen uit onder meer artikel 8 en 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol, en beschermt de Staat de inwoners van Bonaire minder goed dan inwoners van Europees Nederland.
Schending EVRM, beschermingsplan en discriminatie
De rechtbank komt tot het oordeel dat de Staat tegenover de inwoners van Bonaire niet heeft voldaan aan de positieve verplichtingen van artikel 8 EVRM, en tevens het verbod op discriminatie in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol heeft geschonden. Het totaal van de genomen mitigatie‑ en adaptatiemaatregelen voor Bonaire voldoet niet aan de verplichtingen die Nederland in VN‑verband op zich heeft genomen, terwijl al sinds begin jaren negentig bekend is dat kleine eilanden bijzonder kwetsbaar zijn en Bonaire over beperkte middelen en uitvoeringskracht beschikt.
De rechtbank draagt de Staat op een beschermingsplan (klimaatadaptatieplan) voor Bonaire op te stellen, dat uiterlijk in 2030 moet zijn ingevoerd. In haar beoordeling benadrukt de rechtbank dat Bonairianen nu al negatieve gevolgen ondervinden van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, extreme neerslag, hittestress, schade aan infrastructuur en bedreiging van cultureel erfgoed, en dat de inwoners door armoede extra kwetsbaar zijn. Dat voor Europees Nederland al sinds 2016 een nationale adaptatiestrategie bestaat, terwijl Bonaire nog steeds geen integraal adaptatiebeleid heeft en onduidelijk is wanneer dat er wel zal zijn, acht de rechtbank onvoldoende gerechtvaardigd.
Overall‑toets, KlimaSeniorinnen en bindende klimaatdoelen
Voor de juridische toets sluit de rechtbank aan bij de KlimaSeniorinnen‑uitspraak van het EHRM. In klimaatzaken geldt een overall‑beoordeling van alle mitigatie‑ en adaptatiemaatregelen en procedurele waarborgen samen. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat klimaatverandering een ernstige bedreiging vormt voor door het EVRM beschermde rechten en dat staten een deelverantwoordelijkheid dragen om op nationaal niveau maatregelen te treffen, ongeacht hun beperkte aandeel in de wereldwijde uitstoot of het handelen van andere landen.
Ten aanzien van mitigatie oordeelt de rechtbank dat de Nederlandse regelgeving in het verleden en ook nu op belangrijke punten niet voldoet aan de in VN‑verband overeengekomen minimumnormen. Er zijn onder meer geen bindende, doorvertaalde emissietrajecten tot aan netto‑nul en geen nationaal carbonbudget vastgesteld dat de nationale bijdrage aan de 1,5‑gradendoelstelling concretiseert. De rechtbank veroordeelt de Staat daarom om binnen achttien maanden heldere en bindende doelen voor de uitstootreductie van broeikasgassen voor de hele economie vast te stellen, met bindende tussentijdse doelen tot 2050, en deze in nationale regelgeving vast te leggen. Ook als de Staat hoger beroep instelt, moet hij met de uitvoering van het vonnis beginnen.






