De Raad voor de rechtspraak heeft forse kritiek op het wetsvoorstel dat gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties strafbaar moet stellen. Volgens de Raad is de inbreuk op het demonstratierecht onvoldoende gemotiveerd en is het voorstel lastig handhaafbaar.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft de Raad voor de rechtspraak om advies gevraagd over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet openbare manifestaties (WOM), dat het dragen van gezichtsbedekkende kleding tijdens en direct na demonstraties als overtreding strafbaar maakt. Na overleg met de gerechten komt de Raad tot de conclusie dat de grondrechtentoetsing in de memorie van toelichting tekortschiet en dat het voorgestelde verbod moeilijk uitvoerbaar is. De Raad adviseert de minister daarom het wetsvoorstel niet in te dienen, of het eerst ingrijpend te herzien.
Spanning met demonstratierecht en mensenrechten
Centraal in het advies staat dat de strafbaarstelling op gespannen voet staat met het recht op betoging zoals beschermd in artikel 9 Grondwet, artikel 11 EVRM en artikel 21 IVBPR. Volgens de Raad wordt in de toelichting onvoldoende onderbouwd waarom de beperking noodzakelijk is en waarom wordt voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit. De door de wetgever genoemde belangen – veiligheidsbeleving, open communicatie, escalatiepreventie en opsporing – sluiten niet goed aan bij de beschermde belangen in het EVRM en worden bovendien nauwelijks met feiten of onderzoek onderbouwd. De Raad wijst erop dat een recent WODC-onderzoek juist concludeert dat het huidige kader voor demonstraties volstaat en dat verdere wettelijke beperkingen weinig effectief of zelfs averechts zijn. Ook mist de Raad een serieuze bespreking van internationale mensenrechtenbronnen waarin anonimiteit en gezichtsbedekking bij vreedzame demonstraties als legitiem kunnen worden beschouwd.
Onduidelijke uitzonderingen en handhavingsrisico’s
Daarnaast signaleert de Raad grote onduidelijkheid rond de voorgestelde uitzonderingsgrond: gezichtsbedekking blijft toegestaan bij veiligheidsoverwegingen of andere zwaarwegende persoonlijke belangen, maar er ontbreken duidelijke criteria voor de beoordeling daarvan. De Raad noemt tal van mogelijke situaties – van angst voor represailles in werk- of privésfeer tot kleding als onderdeel van een politiek statement – en vraagt hoe politie en rechter moeten bepalen welke gevallen onder de uitzondering vallen. In de praktijk kan dit leiden tot willekeur, intensieve bewijsdiscussies en een forse zittingsbelasting in individuele zaken. De Raad waarschuwt bovendien voor een “chilling effect”: burgers zouden kunnen afzien van deelname aan vreedzame demonstraties uit vrees hun anonimiteit te verliezen of geconfronteerd te worden met politieoptreden rond gezichtsbedekking. Gezien deze bezwaren acht de Raad het noodzakelijk het wetsvoorstel fundamenteel te heroverwegen of aanzienlijk beter te motiveren.






