Een Amerikaanse jury oordeelt dat Meta en Google nalatig hebben gehandeld bij het ontwerp van hun platforms en onvoldoende hebben gewaarschuwd voor risico’s. De zaak raakt aan de vraag wanneer ontwerpkeuzes van platforms tot aansprakelijkheid kunnen leiden.
Volgens de jury is schade ontstaan bij een specifieke gebruiker, de eiseres in de zaak. Daarmee raakt de uitspraak aan een fundamentele discussie over de verantwoordelijkheid van technologiebedrijven voor de effecten van hun diensten.
De procedure richtte zich concreet op de vraag hoe ontwerpkeuzes gebruikersgedrag beïnvloeden, met name waar die keuzes gericht zijn op het maximaliseren van gebruik en betrokkenheid. Volgens de jury hebben de bedrijven onvoldoende rekening gehouden met de risico’s van dit zogenoemde verslavende ontwerp en nagelaten gebruikers daar adequaat voor te waarschuwen. De uitspraak onderstreept dat niet alleen de inhoud die via platforms wordt verspreid relevant is, maar ook de manier waarop die inhoud wordt aangeboden.
Ontwerpkeuzes als juridische factor
Centraal stonden functies zoals eindeloze feeds, autoplay en algoritmische aanbevelingen. Volgens de jury stimuleren deze elementen langdurig en intensief gebruik, wat onder omstandigheden kan bijdragen aan schade bij gebruikers. Het ontwerp van platforms krijgt daarmee niet alleen een technische of commerciële betekenis, maar ook een juridische.
Dit past binnen een bredere ontwikkeling waarin technologiebedrijven vaker worden aangesproken op de gevolgen van hun diensten. In de Verenigde Staten lopen inmiddels duizenden vergelijkbare procedures, waarin wordt betoogd dat platforms bewust zijn ingericht om gebruikers zo lang mogelijk vast te houden, ondanks mogelijke negatieve effecten. Die zaken richten zich onder meer op de vraag in hoeverre bedrijven rekening moeten houden met kwetsbare gebruikers, zoals minderjarigen.
Aansprakelijkheid en toekomstige regulering
De jury kende de eiseres een schadevergoeding toe van ongeveer 6 miljoen dollar, waarbij Meta het grootste deel moet betalen. Beide bedrijven hebben aangegeven in hoger beroep te willen gaan. Hoewel de uitkomst daarmee nog niet definitief vaststaat, kan de uitspraak gevolgen hebben voor zowel de rechtspraktijk als de regulering van digitale platforms. Naar verwachting neemt de druk op technologiebedrijven toe om hun diensten aan te passen en ontwerpkeuzes kritischer te beoordelen. Tegelijkertijd is het de vraag in hoeverre dit daadwerkelijk tot ingrijpende veranderingen leidt, aangezien het verdienmodel van veel platforms juist afhankelijk is van het vasthouden van aandacht. Daarmee kan de uitspraak invloed hebben op hoe in toekomstige zaken naar dit soort ontwerpkeuzes wordt gekeken.






