Francien Rense, partner bij Greenberg Traurig, laat aan de hand van recente rechtspraak van de Hoge Raad en de Afdeling bestuursrechtspraak zien hoe scherp het aankomt op een zorgvuldige afbakening van werkgeverschap, overtrederschap en toerekening. Zij maakt inzichtelijk welke maatstaven de rechter hanteert bij de beoordeling van verantwoordelijkheid na bedrijfsincidenten, en wat dat betekent voor ondernemingen en hun bestuurders in de praktijk van toezicht en handhaving.
De afgelopen maanden schreef ik verschillende keren over effectief ingrijpen bij bedrijfsschandalen. Meer specifiek schreef ik over of en wanneer dat ingrijpen vraagt om het aanspreken van leiders en welke kaders daarvoor gelden. Het effectief aanspreken van bedrijven vraagt echter niet alleen om een reële en faire blik op eisen te stellen aan leiderschap en beslissingen van leiders; ingrijpen bij en in bedrijfsmatige context vraagt ook om een scherpe blik op wie onderwerp is en kan zijn van onderzoek en handhavingsacties. De praktijk worstelt daar nog mee. Dat doet de effectiviteit en geloofwaardigheid van het ingrijpen geen goed.
Hieronder komen enkele voorbeelden van die worsteling aan de orde. De gevallen kwalificeren misschien niet zozeer als bedrijfsschandalen pur sang, maar bieden niettemin waardevolle en behulpzame inzichten, ook voor grotere, andersoortige bedrijfsmatige casus en casus met omvangrijkere impact; vooral over hoe het níet moet.
Een dodelijk arbeidsongeval en een verloren juridische vraag
Eind 2025 oordeelde de Hoge Raad over een vrijspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een zaak betreffend de verantwoordelijkheid voor een dodelijk arbeidsongeval tijdens laadwerkzaamheden op een containerschip. Die zaak ging in die laatste instantie echter niet over de ernst en impact van dat ongeval en hoe zo’n ongeval te voorkomen, maar alleen over de vraag of de daarvoor aangesproken verdachten (ondertussen in meerdere instanties vervolgd) kwalificeerden als werkgever in de zin van de toepasselijke wet- en regelgeving en daarop dus überhaupt konden worden aangesproken. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het gerechtshof dat beide geen werkgever waren en sanctioneerde dus hun vrijspraak. Een behoorlijke deceptie, na zo’n ernstig, dodelijk ongeval, en een langslepend debat waarin niet de oorzaken van dat ongeval centraal stonden maar louter een verloren juridische vraag.
PFAS-vervuiling na brand: gekunstelde toerekening?
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeelde vlak voor Kerst 2025 twee zaken waarin ondernemingen door de overheid werden aangesproken voor de gevolgen van bedrijfsbranden. In beide zaken speelden de uitleg en concrete invulling van het bestuursrechtelijke overtrederbegrip een cruciale rol; een begrip dat gelijk staat aan strafrechtelijk pleger- of medeplegerschap en beoordeeld wordt aan de hand van de zogenoemde Drijfmestcriteria. Die criteria helpen om te bepalen wanneer handelen en nalaten aan ondernemingen, rechtspersonen kunnen worden toegerekend, opdat vanuit juridisch oogpunt bezien van hun handelen of nalaten kan worden gesproken.
In een van de zaken woedde een brand in een hoogspanningsstation door kortsluiting en een onvoorziene situatie. De brand werd geblust door brandweerkorpsen uit de regio. Zij blusten met blusschuim met PFAS (geen onbekend gegeven in de wereld van industriële brand en brandbestrijding, en een middel dat momenteel zoveel mogelijk wordt uitgefaseerd). De brandbestrijding door de korpsen leidde dus tot PFAS-vervuiling. De overheid stelde dat niet aan de zorgplicht uit artikel 13 Wet bodembescherming zou zijn voldaan. Zij beschouwde de beheerder van het hoogspanningsstation overtreder van die zorgplicht, nu het ontstaan van de verontreiniging door het toepassen van het blusschuim aan haar zou kunnen worden toegerekend; de bluswerkzaamheden van de brandweerkorpsen zouden als die van haar kunnen gelden, zo redeneerde de overheid.
Hoewel het begrijpelijk is dat de overheid zocht naar een loket om te spreken over de PFAS-vervuiling, laat deze casus zien dat een gekunstelde aanpak de geloofwaardigheid van die overheid en handhavingsacties geen goed doet. Waarom zouden, bijzondere omstandigheden daargelaten, de bluswerkzaamheden van de brandweerkorpsen gelden als handelen, en zelfs een overtreding van de netbeheerder? Dat ligt toch helemaal niet voor de hand? De afdeling gaat, tot mijn verbazing eerlijk gezegd, uitgebreid in op het aangevoerde argument dat de bluswerkzaamheden “dienstig” zouden zijn geweest aan de netbeheerder en haar “evident voordeel” zouden hebben opgeleverd. Daarop zien de bedoelde toerekeningscriteria namelijk, zo algemeen en onbepaald, helemaal niet. Daarna gaat de Afdeling nog in op enkele eventueel meer redengevende omstandigheden, zoals de vraag of de netbeheerder werd gekend in het gebruik van PFAS-houdend blusschuim en of zij daarop invloed uitoefende of kon uitoefenen. Omdat dit niet zo was, zo oordeelde de Afdeling, kon de beheerder er “dan ook niet (..)over beschikken”; “niet valt in te zien dat (..) [zij] het risico op een overtreding (..) willens en wetens heeft aanvaard”. Hoewel het ook hier niet gaat over een zuivere toets aan de toepasselijke toerekeningscriteria, neigt deze toets wel naar een beantwoording en beoordeling van de meest relevante vragen, in gewone mensentaal: had de beheerder iets te maken met de bluswerkzaamheden, had zij daar enige invloed op en zo ja, acteerde zij daarin onzorgvuldig? Als de hoofdvraag naar verantwoordelijkheid volgens dergelijke stappen en deelvragen zou zijn afgelopen en zou zijn beantwoord, zouden handhavingsacties en beoordeling daarvan een stuk begrijpelijker (en juister) zijn geweest.
Brand, verontreiniging en het belang van feitelijke onderbouwing
De tweede zaak voor de Afdeling laat mede zien hoe belangrijk het is om goed na te gaan en, in geval van ondernomen handhavingsactie, uit te leggen waarom van een handelen van de onderneming kan worden gesproken en dus van haar overtreding. De casus draaide wederom om een brand, in dat geval met als gevolg dat gesmolten plastic en bluswater van de brandweer terecht kwamen in het oppervlaktewater. De onderneming werd aangemerkt als overtreder van de Waterwet om kosten van bestuursdwang te verhalen. De overheid betoogde dat moest “worden beoordeeld of de gedragingen die leidden tot de oppervlaktewaterverontreiniging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon”, waarbij “alle omstandigheden van het geval van belang [zijn]”. Dat is een waarheid als een koe. Maar welke omstandigheden stonden kennelijk ter discussie? Dat de aard van de onderneming maakt dat een brand (in dit geval met onbekende oorzaak) grote gevolgen kan hebben en dat de brand plaatsvond in de invloedssfeer van de onderneming, terwijl de onderneming niet voorkwam dat de verontreiniging ontstond of deze ongedaan maakte. De Afdeling oordeelde dat die argumenten niet volstaan: “de omstandigheden dat de brand [bij het bedrijf] heeft plaatsgevonden en dat het gesmolten plastic (..) van haar bedrijf afkomstig is” zijn onvoldoende. Nogal wiedes. Er is natuurlijk veel meer informatie nodig om tot een gedegen beoordeling van toerekening en overtrederschap te kunnen komen, om te beginnen over de feitelijke gang van zaken en overigens over de betrokken partijen, inclusief de onderneming. Bijvoorbeeld, hoe is het gesmolten plastic en bluswater naar het oppervlaktewater gestroomd? Via de gebruikelijke afwatering van het bedrijf of anders? Welke voorzieningen waren überhaupt aanwezig? Welke maatregelen waren nodig en mogelijk? Welke vergunningen waren in dat verband verleend en welke voorzieningen verlangd?
Er leven veel zorgen over de impact van bedrijfsschandalen en de mogelijkheden om daarop effectief in te grijpen. Wantrouwen op dat vlak viert hoogtij. Dat is op zichzelf begrijpelijk bij gebrek aan effectief ingrijpen, maar geloofwaardigheid, vertrouwen en doelgericht ingrijpen beginnen bij een reële en faire blik op wat er is gebeurd, wie daarbij (juridisch relevant) zijn betrokken en in welke hoedanigheid. Waarbij alle argumenten, ook jegens bedrijven, gedegen moeten worden doordacht, onderbouwd en getoetst. De drie beschreven casus in het klein laten zien hoe nauw het luistert en hoe belangrijk zuivere, doeltreffende en faire argumenten op dat vlak zijn. In het Nederlandse stelsel passen die argumenten prima en kunnen die ook tot hun recht komen; zij vragen goedbeschouwd om weinig meer en anders dan een rechtvaardige, open blik en benadering. Toch is juist daar, zo laten de voorbeelden zien, momenteel nog winst te behalen.
Francien Rense, partner Greenberg Traurig, Amsterdam





