Feike Otto van der Zee schrijft als jurist vanuit de spanning tussen internationaal recht en morele noodzaak. De recente militaire operatie van Israël en de VS tegen Iran roept voor hem prangende vragen op over zelfverdediging, soevereiniteit en de verantwoordelijkheid om te beschermen. Met Radbruchs adagium “extreem onrecht is geen recht” als moreel kompas verkent hij in dit opiniestuk waar juridische grenzen verdwijnen en morele plicht begint.
Te midden van de recente joint militaire operatie van Israël en de Verenigde Staten tegen Iran – door velen gekwalificeerd als misdaad van agressie – roept dit conflict fundamentele vragen op over de aard van internationaal recht. Als jurist en denker over rechtvaardigheid grijp ik terug op de theorie van Gustav Radbruch, de Duitse rechtsfilosoof wiens formule na de Tweede Wereldoorlog een baken werd voor ethisch recht.
Radbruchs erfenis en de casus Iran
Gustav Radbruch, de Duitse rechtsfilosoof, formuleerde na de Tweede Wereldoorlog een beroemd dilemma: positief recht (geschreven wetten en verdragen) verdient in beginsel voorrang, tenzij het onrecht zo extreem en ondraaglijk is dat het geen recht meer kan heten. Zijn uitspraak luidt: “Extreem onrecht is geen recht.” Deze formule gold primair voor nationale rechters die onrechtvaardige wetten buiten toepassing moesten laten, niet voor derde staten die een ander land mogen aanvallen. Toch illustreert zij een breder ethisch principe dat ook in het internationale debat over soevereiniteit en mensenrechten doorklinkt. Dit betoog gebruikt haar daarom niet als juridische rechtvaardiging, maar als ethisch-filosofisch kader om het spanningsveld tussen formalisme en diepere gerechtigheid te illustreren.
Toepassend op de casus: Het internationaal recht verbiedt daden van agressie zonder mandaat van de VN-Veiligheidsraad of zelfverdediging. Maar Iran’s regime voldoet aan Radbruchs criteria voor “extreem/ondraaglijk onrecht” – zowel de Unerträglichkeitsformel (onverdraaglijkheidsformule: het conflict tussen wet en gerechtigheid bereikt een ondraaglijk niveau) als de Verleugnungsformel (verloochening van gelijkheid als kern van recht, waarbij wetten bewust de essentie van recht ontkennen). Al decennia schendt Iran systematisch internationaal recht en mensenrechten. Voorbeelden zijn legio: steun aan gewapende terroristische groeperingen als Hezbollah, Hamas en de Houthis, die aanslagen plegen op burgers (zoals bombardementen op Israëlische doelen); schendingen van het Non-Proliferatieverdrag door een niet-transparant nucleair programma, leidend tot VN-sancties; en brute onderdrukking van eigen burgers, met tienduizenden doden tijdens protesten in 2022-2026 (volgens HRW, HRANA en VN-rapporten), inclusief executies, martelingen en enforced disappearances – daden die als crimes against humanity kwalificeren.
Zelfverdediging, R2P en morele legitimiteit
Om dit argument te versterken, voeg ik nuances toe over zelfverdediging onder Artikel 51 van het VN-Handvest en de Responsibility to Protect (R2P, verantwoordelijkheid om te beschermen), al zijn deze interpretaties omstreden. Artikel 51 erkent het inherente recht op individuele of collectieve zelfverdediging bij een gewapende aanval. Hoewel Iran geen directe invasie pleegde, hanteren de VS en Israël een bredere interpretatie van preventieve zelfverdediging tegen “imminente dreigingen” van Iran’s nucleaire ambities en proxy-aanvallen via Hezbollah en de Houthis. Critici betwisten dit echter fel: imminence vereist concrete aanwijzingen van aanstaand gebruik, niet louter capaciteitsopbouw – en waarschuwingen over Iran’s nucleaire programma klinken al decennia, wat de claim van acute dreiging verzwakt. Evenzo biedt R2P een raamwerk voor interventie om bevolkingen te beschermen tegen misdaden tegen de menselijkheid wanneer een staat zelf dader is of faalt, maar dit vereist normaal een Veiligheidsraad-mandaat en wordt vaak gezien als te subjectief en vatbaar voor misbruik.
Vanuit Radbruchs ethisch kader bezien, rijst de vraag of een regime dat zulke grove schendingen institutioneel faciliteert, nog voldoende morele legitimiteit behoudt om onaantastbare soevereiniteit op te eisen onder internationaal recht. Regimes die extreem onrecht institutionaliseren, verliezen in Radbruchs ogen de morele grond om als volwaardig rechtssubject te gelden – hun soevereiniteit is niet langer onvoorwaardelijk, maar ondergeschikt aan de noodzaak van gerechtigheid. Hierdoor kan de militaire operatie tegen Iran, hoewel formeel mogelijk een schending van het agressieverbod, vanuit dit perspectief worden gezien als een poging om gerechtigheid te herstellen – mogelijk gesteund door elementen van zelfverdediging en R2P.
Gerechtigheid boven formalisme
Dit is geen pleidooi voor het recht van de sterkste, maar voor Radbruchs evenwicht: gerechtigheid boven formalisme, met oog voor de omstreden nuances van zelfverdediging en verantwoordelijkheid om te beschermen. Dit moreel-filosofische betoog claimt geen onbetwiste legaliteit, maar een morele noodzaak in een imperfect rechtssysteem. Om met de treffende woorden van de Perzisch-Nederlandse schrijver en columnist Keyvan Shahbazi te besluiten: “Wij Iraniërs zijn niet in de positie om dit soort intellectuele discussies te voeren, want die zitten met dat regime.”







