In het slot van 2025 kwam eindelijk duidelijkheid in de langdurige discussie rond de vervolging van de voormalige CEO van ING. De uitspraak van het Gerechtshof Den Haag biedt nieuwe inzichten in hoe strafrechtelijke aansprakelijkheid van leiders binnen bedrijven moet worden beoordeeld. Francien Rense, partner bij Greenberg Traurig, vraagt zich af: wat is de reikwijdte van de zorgplicht van bestuurders – en bestaat er een proactieve variant daarvan?
Na maar liefst zeven jaren gesteggel en onderzoek deed het Gerechtshof Den Haag op de valreep van 2025 (op 3 december 2025) uitspraak over de verdere vervolging van de voormalig CEO van ING na de baanbrekende transactie met die bank van schendingen van de Wwft en schuldwitwassen (in september 2018). Het OM vond dat er geen grond was voor verdere vervolging en bleef daarbij, ook na nader onderzoek en met meenemen van een interessante verdieping in, kort gezegd: feitelijk leidinggeven en haar bedrijfsmatige context. Hoewel het Gerechtshof meegaat in niet-verdere-vervolging en nadere richting geeft aan hoe strafrechtelijke aansprakelijkheid van leiders in bedrijfsmatige context te beoordelen, blijft ook een tamelijk cruciale vraag liggen.
De drie pijlers van onderzoek: zeggenschap, kennis en zorgplicht
Het OM legt uit dat het nader onderzoek de aspecten zeggenschap, kennis en zorgplicht betrof. Het OM schetst dat gebreken in het Wwft-beleid bekend waren, ook bij de betrokken CEO. Hij voldeed volgens het OM echter aan zijn zorgplicht en stuurde daarop. Van onverschilligheid noch het op de koop toenemen is gebleken. Sterker, de betrokken CEO was benaderbaar, had aandacht voor het onderwerp compliance en keerde zich daar niet tegen. Het gegeven dat getroffen maatregelen volstrekt onvoldoende bleken, maakt dat volgens het OM niet anders: “Slecht management is nog geen strafbaar management”, zo zou de stelregel van het OM hebben geluid.
Invulling van de zorgplicht volgens het OM
In het advies aan het Gerechtshof zoomt het OM in op de zorgplicht. Hoe zou die er voor de CEO van een grootbank uit (moeten) zien? Het OM onderscheidt verschillende organisatiemodellen en past die toe op de zorgplicht, (juist) met oog voor disculperende omstandigheden waaronder portefeuilleverdeling en rapportagelijnen: “beklaagde kon en mocht vertrouwen op hetgeen door zijn collega’s in gang werd gezet”.
De beoordeling door het Gerechtshof
Het Gerechtshof start in zijn beoordeling bij het uitgangspunt dat de CEO “verantwoordelijk bestuurder” was en “zijn positie hem zeggenschap verschafte om de gedragingen te voorkomen dan wel te doen stoppen” alsook “dat hij gehouden was om actie te ondernemen zodra hij op de hoogte was van gedragingen die potentieel strafbaar handelen zouden kunnen opleveren of mogelijk al hadden opgeleverd”. Volgens het Gerechtshof staat de kennis van de CEO wel vast en resteert aldus de vraag of hij voldoende invulling heeft gegeven aan“zijn aldus ontstane zorgplicht”, zo gezegd: “zijn er, alle destijds aanwezige omstandigheden in aanmerking nemend, voldoende maatregelen genomen of had beklaagde, gelet op zijn positie en op die omstandigheden, méér moeten doen”?
Reactieve versus proactieve zorgplicht
De CEO voldeed aan zijn “reactieve zorgplicht”, naar het oordeel van het Gerechtshof, en mocht er (inderdaad) op vertrouwen dat zijn professionele medebestuurders de binnen de organisatie vastgestelde maatregelen goed en voortvarend zouden uitvoeren. Het Gerechtshof lijkt rekening te houden met de complexe organisatie en verdeling van taken en verantwoordelijkheden, waarbinnen de CEO functioneerde.
Maar, het Gerechtshof raakt tévens de vraag naar het bestaan van en de voldoening aan een eventuele “proactieve zorgplicht” aan, zoals het nadrukkelijk en herhaald concreet monitoren op effectiviteit van maatregelen. Kennelijk is zo’n zorgplicht in de procedure aan de orde gekomen en besproken. Maar omdat het Gerechtshof vindt dat deze op zichzelf interessante vraag niet eerder in jurisprudentie aan de orde is geweest en het onderzoek zich ook niet op de beantwoording van die vraag richtte, laat het Gerechtshof deze invalshoek vervolgens om opportuniteitsredenen toch liggen.
De openstaande vraag voor de toekomst
Dat is tamelijk frappant want juist die vraag is cruciaal voor het bepalen van de “ondergrens” van strafrechtelijke aansprakelijkheid en verwijtbaarheid van leiders. Bestaat er zo’n ondergrens en zo ja, hoe ziet die er dan uit? Mag ik daarbij overigens ook ieders waakzame aandacht vestigen op de laatste overweging van het Gerechtshof in zijn uitspraak: “dat niet alleen beklaagde als CEO een verantwoordelijke positie innam waar het de nakoming van compliancy betrof, maar dat ook andere bestuurders en managers ten aanzien van de nakoming van compliance een verantwoordelijke positie innamen”, waarmee het Gerechtshof, naar mij schijnt, aangeeft dat de focus hierbij niet louter rust op de top van bedrijven, maar op een ieder die “feitelijk leidinggeeft”? Een waarheid als een koe, maar (minst genomen, in potentie) ook een ingrijpende opdracht, zowel voor de beoordelaars van bedrijfsschandalen als de rol die (alle) leiders daarin kiezen.
Francien Rense, partner Greenberg Traurig, Amsterdam





