Herinneringen aan mijn eerste pleidooi
In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Voor de één was dat vorige maand, voor de ander decennia geleden, maar de meeste advocaten kunnen zich hun pleitdebuut nog levendig herinneren. Tijdens één van zijn eerste pleidooien leerde Harm Heynen waarom het belangrijk is om je woorden zorgvuldig te kiezen.
Harm Heynen
Partner vastgoedrecht bij Boels Zanders Advocaten in Venlou
Beëdigingsdatum: 9 november 2000
DE ZAAK
“In één van de eerste zaken die ik zelfstandig mocht behandelen, stond ik een woningcorporatie bij. Het draaide om een conflict met huurders. Een echtpaar met kinderen zorgde al langere tijd voor overlast en na meerdere, onsuccesvolle interventies wilde de woningcorporatie nu de huurovereenkomst ontbinden. Dat betekende dat de woning ontruimd zou worden. Een behoorlijk ingrijpende maatregel, waartegen het echtpaar zich bij de rechter verzette.
In de processtukken las ik dat de advocaat van de wederpartij in zijn verweer een belangrijk punt maakte van de situatie van de kinderen. Volgens hen waren de gevolgen van ontruiming onacceptabel groot, omdat het echtpaar daardoor met hun kinderen op straat zou komen te staan. Dat klonk mij vreemd in de oren: zo werkte dat toch niet in Nederland?
Toevallig heeft de Hoge Raad eind 2025 bevestigd dat, op basis van het Europees Kinderrechtenverdrag, bij ontruiming van een woning de rechten van de kinderen expliciet moeten worden meegewogen. De woningcorporatie moet tegenwoordig bijvoorbeeld in de processtukken aangeven of er alternatieve huisvesting is en daarin soms ook voorzien. Vijfentwintig jaar geleden lag dat echter anders. Toen was het welzijn van kinderen in een huurconflict van ondergeschikt belang. Toch leek het me toen al stug dat dit gezin door de beëindiging van de huurovereenkomst dakloos zou worden.
Ik dook in de materie en ontdekte dat er inderdaad een aantal regelingen waren. Bovendien: als het echtpaar écht geen andere woning kon vinden, zou Jeugdzorg zich over de kinderen ontfermen. De kinderen zouden dus hoe dan ook een dak boven het hoofd hebben. In de rechtbank zou het zwaarwegende grote-gevolgen-argument van de wederpartij dan ook geen stand houden. In die wetenschap liep ik een paar weken later vol vertrouwen de zitting in.”
HET PLEIDOOI
“Mijn patroon ging niet mee, dus in de rechtbank stond ik er alleen voor. Er was wel iemand van de woningcorporatie bij. Aan de andere kant van de zaal zat het echtpaar met hun advocaat. Zoals verwacht, ging die tijdens zijn pleidooi uitgebreid in op de invloed van de ontruiming op de kinderen. Ik meen me te herinneren dat hij zelfs een beeld schetste van een gezin dat met hun bezittingen in dozen onder een brug moest slapen. Onzin, wist ik. Dit argument moest ik meteen stevig de kop indrukken.‘In Nederland belanden kinderen nooit op straat’, zei ik daarom stellig in mijn repliek. ‘Als er na ontruiming echt geen andere woning wordt gevonden, worden de kinderen namelijk overgedragen aan Jeugdzorg.’
Het leek alsof ik met die opmerking bij de tegenpartij op een rode knop had gedrukt. Ik had het woord ‘Jeugdzorg’ amper uitgesproken, of het echtpaar ontplofte. Ze schreeuwden en scholden en werden zo agressief dat de parketpolitie erbij werd gehaald. De man was inmiddels woest de zittingzaal uitgebeend. De vrouw werd door hun advocaat en de parketfunctionarissen naar buiten geleid. Hun woede richtte zich niet zo zeer op mij persoonlijk, maar op de situatie die ik had geschetst. Vermoedelijk werd hun woede aangewakkerd door machteloosheid, nu ze zich realiseerden dat ze door deze situatie hun kinderen konden kwijtraken.
Zwaarste materieel
Ik was dan ook niet bang, maar natuurlijk wel flink geschrokken. Ik realiseerde me meteen dat ik mijn woorden anders had moeten kiezen. Juridisch gezien had ik niets verkeerds gezegd, maar ik had in deze situatie niet meteen het zwaarste materieel naar buiten moeten rijden. Dat ik dat wel had gedaan, was op z’n zachtst gezegd onhandig. Ik had dus ook wel begrip voor de reactie van de ouders, al bonsde mijn hart in mijn keel. Het leek me beter om nu even niets te zeggen.
Een kwartier later waren de gemoederen bedaard. Het echtpaar keerde terug in de zaal en de zitting werd hervat, zonder verder oponthoud. Later deed de rechter uitspraak in het voordeel van de woningcorporatie: de woning mocht inderdaad worden ontruimd. Waar het gezin uiteindelijk terecht is gekomen, kan ik me niet meer herinneren. Ik weet nog wel dat ik blij was met de uitkomst: mijn verweer had gewerkt. Toch hield ik er geen goed gevoel aan over.”
DE EVALUATIE
“Achteraf schrijf ik mijn tactloze aanpak toe aan mijn jeugdige enthousiasme en mijn gebrek aan levenservaring. Ik was zó gebrand op het doeltreffend ontzenuwen van het argument van de wederpartij, dat ik volledig voorbijging aan de impact van mijn woorden op de ouders. Dat zou ik nu zeker anders doen. Waar ik het beladen woord ‘Jeugdzorg’ had laten vallen, had ik bijvoorbeeld beter kunnen kiezen voor een term als ‘vangnet’. Maar, zo weet ik nu: misschien had ik er, gezien de gevoeligheid, wel voor moeten kiezen om überhaupt niet op dit punt in te gaan. Vaak is het veel sympathieker én effectiever om niet koste wat kost op ieder vlak gelijk te willen krijgen. Focus je liever op hoofdzaken en blijf weg van storende zijpaadjes. Als het goed is, weten rechters namelijk zelf ook wel hoe het systeem werkt. Daar hoef jij ze niet op te wijzen, dat leidt alleen maar af.
Rode draad
In de huurrechtcursussen die ik regelmatig geef, gebruik ik mijn eigen rookie mistake vaak als voorbeeld van hoe het níet moet. Het grappige is dat jonge advocaten vaak best begrijpen waarom ik er met gestrekt been in ging: juridisch gezien had ik immers een sterk punt. Oudere advocaten reageren vaker verschrikt, zij voelen eerder het gewicht van zo’n directe opmerking.
Die ene zitting loopt nog steeds als een rode draad door mijn carrière als advocaat. Ondanks dat mijn formulering destijds niet de schoonheidsprijs verdiende, leerde het voorval me wel een belangrijke les. Woorden doen ertoe, ook – of juist – als je in je recht staat.”





