Herinneringen aan mijn eerste pleidooi
In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Voor de één was dat vorige maand, voor de ander decennia geleden, maar de meeste advocaten kunnen zich hun pleitdebuut nog levendig herinneren. Bij Sander Bierens namen de zenuwen dermate de overhand, dat zijn eerste pleidooi ‘geruisloos’ voorbij ging.
Sander Bierens
Advocaat, CEO en eigenaar Bierens Incasso Advocaten Veghel
Beëdigingsdatum: 7 augustus 1985
DE ZAAK
“Toen ik in 1985 afstudeerde, had ik weinig haast om aan het werk te gaan. Liever kluste ik bij als strandwacht in Zeeland. Ik was de jongste van vier kinderen, waarvan de oudste twee geneeskunde hadden gestudeerd. Ik was dat ook van plan, maar nadat ik twee keer werd uitgeloot, koos ik voor rechten. In de voetsporen van mijn vader, die in Veghel een advocatenkantoor aan huis had.
Toen mijn bul binnen was, vond mijn vader het tijd dat ik mijn zwembroek inruilde voor een toga. Ik kon bij hem aan de slag, al was er geen ruimte meer in zijn kantoor: een plank in de woonkamer deed dienst als mijn bureau. Zoals dat in die tijd ging, kende mijn vader de meeste advocaten en rechters in het arrondissement persoonlijk. Op een ochtend belde hij de president van de rechtbank met de vraag of die zijn zoon wilde beëdigen. ‘Laat ‘m vanmiddag maar langskomen’, was het antwoord. En zo geschiedde. Ik werd hartelijk ontvangen, we kletsen wat en een half uur later was ik officieel advocaat. Het ging er zo gemoedelijk aan toe, dat ik nooit had kunnen vermoeden dat ik me de volgende keer in de rechtbank zo ellendig zou voelen.
Mijn vader voerde destijds een algemene praktijk. Het eerste dossier dat ik zelfstandig mocht behandelen, was een voogdijzaak. Ik stond de moeder bij, ons standpunt was dat de kinderen aan haar toegewezen moesten worden. Uitvoerig bestudeerde ik het dossier en stelde toen mijn pleitnotitie op. Uiteraard besprak ik de zaak ook met mijn vader, die me voorzag van een aantal praktische tips. Met name één advies bleef hangen: ‘Als de zitting soepel verloopt, houd dan vooral je mond. Als je toch gaat praten, loop je het risico dat je precies het verkeerde zegt. Of misschien breng je de rechter op een onderwerp dat je liever wil vermijden. Dus zolang het goed gaat: mond dicht.’ Zijn tip klonk aannemelijk, dus die nam ik zeker mee. Maar ik had me goed voorbereid en dit zou mijn pleitdebuut worden: ik zou in de rechtbank natuurlijk wel degelijk van me laten horen.”
HET PLEIDOOI
“Toen brak de dag van de zitting aan. Meteen toen ik wakker werd, voelde ik het: de zenuwen gierden door mijn lijf. Van mijn aanvankelijke energie en enthousiasme was niets meer over. Wat bezielde me om dit vak te kiezen? Van de gedachte dat ik straks in mijn toga tegenover de rechter stond, wilde ik het liefst hard wegrennen. Omdat dat helaas geen optie was, sleepte ik mezelf die ochtend, met lood in mijn schoenen, toch maar naar de rechtbank.
Net als de vorige keer werd ik door het rechtbankpersoneel allerhartelijkst ontvangen. En ondanks het serieuze onderwerp van de zitting, was de sfeer prima. Toch lukte het me niet om te ontspannen. Sterker nog: wat er in de rechtbank met me gebeurde, laat zich denk ik het best omschrijven als een black-out. Ik ging volledig op slot. Tijdens de hele zitting heb ik geen woord gezegd, omdat ik simpelweg geen idee meer had wat ik móest zeggen. Mijn cliënt keek me vreemd aan: waarom zei ik niets? Maar zelfs tegen haar kon ik geen woord uitbrengen. De rechter moet mijn paniek in de gaten hebben gehad, want ondanks mijn totale stilzwijgen bleef hij heel vriendelijk. Dat had ongetwijfeld te maken met mijn vader, al denk ik ook dat de meeste rechters wel wat milder zullen zijn voor beginnende advocaten. De vriendelijkheid van de rechter hielp overigens niet: ik heb tot het einde van de zitting mijn lippen stijf op elkaar gehouden.
Een paar weken later werden de kinderen inderdaad toegewezen aan hun moeder. Dat lag ook wel in de lijn der verwachting, ik heb zeker niet de illusie dat mijn ‘pleitdebuut’ daar volledig aan ten grondslag lag. Toch was ik natuurlijk opgelucht. Eenmaal buiten de zittingszaal was mijn bravoure namelijk al gauw teruggekeerd. Vol overtuiging zei ik op de gang tegen mijn cliënt dat ik bewust niets had gezegd. ‘De zitting verliep prima’, legde ik haar uit. ‘Dan kun je het beste gewoon je mond houden, anders kun je het alleen maar verpesten. Dit was precies de bedoeling.’ Gelukkig nam de cliënt het van me aan.
Mijn vader was de enige aan wie ik de waarheid vertelde. Ik geloof dat hij het wel mooi vond dat ik zijn tip had gebruikt, al was het natuurlijk niet op de manier waarop hij het had bedoeld.”
DE EVALUATIE
“Je zou denken dat het na deze pijnlijke vuurdoop alleen maar beter kon gaan, maar niets is minder waar. Kort na deze voogdijzaak kreeg ik een strafrechtzaak. Op de ochtend van die zitting was ik zo óp van de zenuwen, dat mijn vader me ziekmeldde bij de rechtbank. Hij was absoluut niet van de zachte hand, maar ik was er blijkbaar zo slecht aan toe dat zelfs hij inzag dat ik zo niet in staat was om voor de rechter te verschijnen. Toch gaf ik niet op. Bij mijn derde zitting was ik niet alleen aanwezig, maar heb ik ook daadwerkelijk mijn mond opengedaan. Vanaf de vijfde zitting voelde ik alleen nog een beetje wedstrijdspanning.
Inmiddels ben ik ruim veertig jaar advocaat. Aan jonge mensen bij ons op kantoor vertel ik nog regelmatig over mijn hobbelige start. Dan leg ik ze uit dat het heel normaal is om zenuwachtig te zijn. Tegenwoordig praat ik heel makkelijk, dus ze kunnen zich vaak niet voorstellen dat ik vroeger niks durfde te zeggen. Ik probeer ze gerust te stellen: per zitting nemen de zenuwen af. Zelf sta ik niet veel meer in de rechtbank, maar een paar jaar geleden kreeg ik het verbaal eens flink aan de stok met een kantonrechter: een groot contrast met die zwijgzame advocaat-stagiair van het begin. Als je dat mij – of mijn vader – in 1985 had verteld, hadden we je vast niet geloofd.”





