Herinneringen aan mijn eerste pleidooi
In de rubriek Mijn eerste pleidooi vertellen advocaten over de allereerste keer dat ze in de rechtbank het woord mochten voeren. Voor de één was dat vorige maand, voor de ander decennia geleden, maar de meeste advocaten kunnen zich hun pleitdebuut nog levendig herinneren. De weg naar de eerste zitting van Shevin Zengin was er één boordevol obstakels.
Shevin Zengin
Advocaat en partner FAIR Advocaten in Den Haag
Beëdigingsdatum: 29 januari 2016
DE ZAAK
“Op een vrijdag werd ik beëdigd, op maandag had ik mijn eerste werkdag als advocaat-stagiaire. Maar die maandagochtend trof ik tot mijn verbazing een leeg kantoor aan. Pas tegen het einde van de ochtend kwam één van de twee partners binnen. Toen bleek dat die nacht de man van mijn patroon onverwacht was overleden. Een ontzettend verdrietig bericht, maar veel tijd om erbij stil te staan, had ik niet. De twee partners hadden min of meer gescheiden praktijken. Daarom wierp ik me op als waarnemer voor mijn patroon, al had ik natuurlijk geen idee van haar lopende zaken. Dat ik nog niet kon inloggen op mijn mail, maakte het niet makkelijker. Op mijn eerste werkdag zat ik tot zeven uur ‘s avonds op kantoor om in mijn eentje alles uit te vogelen.
Naast het waarnemen voor mijn patroon, had ik ook afgesproken om een zitting voor een bevriende advocaat waar te nemen, omdat zij zelf op vakantie was. Het was een familierechtzaak, voor een cliënt die in de gevangenis zat. Zijn ex-vrouw had daarom eenhoofdig gezag aangevraagd. Daar was hij het niet mee eens. Juist omdat hij in de gevangenis zat, was hij betrouwbaarder en bereikbaarder dan ooit, meende hij. De bevriende advocaat had nog niet veel op papier staan, dat liet ze graag aan mij over. ‘Ik heb alle vertrouwen in je’, had ze gezegd. Natuurlijk stemde ik toe, het leek me een mooie zaak om het spits mee af te bijten.
Op die eerste werkdag had ik dus ook meteen een bezoek aan de – gigantische – PI in Scheveningen op mijn agenda staan. Ik was er nog nooit geweest en wist niet waar de ingang zat. Maar als ik langs de PI reed, zag ik altijd busjes door een poort naar binnen gaan. Daar moest ik vast zijn.
Schaamrood
Omdat de parkeerplaats daar wel ver vandaan lag, moest ik, op mijn torenhoge hakken, bijna tien minuten lopen naar de poort. Ik drukte op de intercom en zei stoerder dan ik me voelde: ‘Dag, ik ben advocaat en ik kom op bezoek bij een cliënt.’ Aan de andere kant van de lijn hoorde ik gelach. ‘U staat bij de transport-ingang mevrouw. U moet bij de hoofdingang zijn.’ Met het schaamrood op mijn kaken ben ik snel omgekeerd. Daarna heb ik nog
meerdere rondjes gelopen. Toen ik aan een paar beveiligers de weg vroeg, werd ik opnieuw uitgelachen. Met het zweet op mijn voorhoofd, zere voeten en een brok in mijn keel, stond ik een kwartier voor sluitingstijd eindelijk voor de juiste deur.
Daar diende zich het volgende probleem aan. Mijn beëdiging was nog zó vers, dat ik nog geen advocatenpas had. Het kostte heel wat overredingskracht om toch naar binnen gelaten te worden. Eenmaal in het gebouw moest ik wachten in een afgesloten ruimte. Net toen ik op adem begon te komen, ging er een oorverdovend alarm af. Van het idee dat ik niet naar buiten kon, kreeg ik het stikbenauwd. Het was een brandoefening, bleek uiteindelijk. Hoe was het mogelijk dat er zóveel mis ging?
Wonder boven wonder lukte het me om daarna nog een normaal gesprek te voeren met de cliënt. We namen zijn standpunten door, die ik de dag erna in een pleitnota goot. Mijn betoog zat juridisch in ieder geval stevig in elkaar, vond ik.”
DE ZITTING
“De zitting vond plaats op woensdag, mijn derde werkdag dus. Mijn benen trilden van de zenuwen, maar ik probeerde zo zelfverzekerd mogelijk over te komen. Toen de rechter mij het woord gaf, ging ik resoluut rechtop staan. Nog voordat ik iets had gezegd, zei de rechter: ‘U mag blijven zitten, mevrouw.’ Wist ik veel dat het bij familierechtzaken niet gebruikelijk is om te gaan staan. Beschaamd liet ik me weer op mijn stoel zakken. Gelukkig ging mijn pleidooi daarna alsnog best aardig.
Mijn opluchting daarover was van korte duur, want plotseling koos de advocaat van de wederpartij de aanval. Met priemende ogen en harde stem bleek ze het op mij persoonlijk te hebben gemunt. Hoe durfde ik op te komen voor een man die in het leven duidelijk de verkeerde keuzes had gemaakt? Hoe kon ik dat haar cliënte aandoen? Haar felheid gaf me een naar gevoel. Ik stond hier toch als advocaat? En dat eigenlijk ook niet eens, ik was alleen maar de waarnemer. Don’t shoot the messenger, wilde ik zeggen. Maar ik was zo overdonderd, dat ik helemaal niets meer zei.
Smoezen
Na afloop van de zitting beende de advocaat van de wederpartij de zaal uit. Toen ik ook richting de deur liep, liet ik mijn dossier vallen. Onder het gegrinnik van de griffier raapte ik snel alle papieren op en haastte me naar buiten. Het huilen stond me inmiddels nader dan het lachen. In de gang wachtte de advocaat van de wederpartij me op. ‘Wat stond jij te smoezen met de rechter?’, beet ze me toe. ‘Je weet toch dat je de zaal meteen moet verlaten?’ Geschrokken zei ik dat ik mijn dossier had laten vallen en dat ik natuurlijk niets met de rechter had besproken. ‘Ik geloof er niets van’, brieste ze. Toen liep ze weg.
Mijn rotgevoel verdween pas toen ik een paar weken later hoorde dat de rechter de aanvraag voor eenhoofdig gezag had afgewezen. Dat kwam voornamelijk door mijn juridische argumentatie, maar ik denk ook dat de vijandige opstelling van de advocaat van de wederpartij haar zaak niet geholpen heeft. Zo liep het na alle tegenslagen toch nog goed af.”
DE EVALUATIE
“Inmiddels ben ik advocaat familie- en jeugdrecht en heb ik een eigen kantoor. In zittingen gaat het er gezien de gevoelige thema’s soms heftig aan toe, maar persoonlijk maak ik het nooit. Hard op de inhoud, zacht op de persoon, is mijn motto. Ik geef ook les bij de beroepsopleiding. Aan jonge advocaten vertel ik graag over mijn rampzalige eerste zaak. Daarmee wil ik zeggen: ook als alles eerst in de soep loopt, kun je nog steeds heel ver komen.”







