Francien Rense, partner bij Greenberg Traurig, laat zien waarom vertrouwelijkheid en het professioneel verschoningsrecht juist bij bedrijfsschandalen van bijzonder groot belang zijn. Zij signaleert dat recent wetenschappelijk onderzoek naar het verschoningsrecht de praktijk rondom ondernemingen en bedrijven onderbelicht, en wijst op de risico’s die daaruit voortvloeien.
Mijn eerdere columns over effectief ingrijpen bij bedrijfsschandalen gingen nog niet over het belang van vertrouwelijkheid en waarborging van vertrouwelijkheid in dat verband. De waarde van vertrouwelijk overleg over de aard en omvang van een eventueel incident, de vraag of überhaupt van een incident sprake is, en zo ja, hoe daarmee om te gaan wordt licht overschat. Het biedt bedrijven en hun leiders de rust en ruimte om allereerst intern zorgvuldig navraag te doen, te analyseren en beoordelen, alsook het pad voorwaarts te bepalen. Inclusief het beantwoorden van de vraag welke inzichten de bedrijven en hun leiders eventueel met de buitenwereld delen, om uitleg of verduidelijking te bieden, een verdediging te voeren of verbetering te beloven.
In de praktijk zijn die vertrouwelijkheid en waarborging daarvan echter geen vanzelfsprekend gegeven. Er is momenteel nogal veel om te doen en er wordt veel over geruzied en gediscussieerd. Er zijn op dat vlak serieuze fouten in opsporing en vervolging gemaakt.
Wetenschappelijk onderzoek mist de kern
Eind vorig jaar werd een wetenschappelijk, rechtsvergelijkend onderzoek naar het ‘professioneel verschoningsrecht’ afgerond en door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangeboden aan de Tweede Kamer. Uit het onderzoek volgt, volgens de Staatssecretaris, dat in alle vergeleken landen ‘uitdagingen’ spelen en dat een complexe afweging speelt tussen ‘het belang van vertrouwelijkheid’ en ‘noodzaak van effectieve opsporing, vervolging en berechting’. Het onderzoek noemt punten en onderwerpen ‘ter inspiratie’ voor het Nederlandse systeem die vooral betrekking hebben op verduidelijking van definities en condities, en het accepteren van meer pragmatisme.
Wat opvalt is dat in het onderzoek of de presentatie daarvan nauwelijks meer specifiek wordt gesproken over geheimhouding en verschoningsrecht rondom zaken die ondernemingen betreffen en cliënten die bedrijven zijn. Terwijl vooral in die gevallen de gesignaleerde ‘uitdagingen’ spelen en de complexiteit van vertrouwelijkheid versus effectieve, vooral voortvarende, opsporing, vervolging en berechting. Uit het wetenschappelijke onderzoek blijkt wel dat de aanleiding daarvoor vooral gelegen was in financieel-economische (fraude)zaken, maar dat vertaalt zich dus niet naar een beschrijving in het onderzoek van het onderwerp en gerelateerde problematiek in juist dat veld.
Zou dat wel zijn gebeurd, dan zou aan de orde zijn gekomen, zo is mijn overtuiging, dat juist dóór de betrokkenheid van ondernemingen en bedrijven de ‘uitdagingen’ en complexiteit spelen. Want, juist ondernemingen en bedrijven werken vaak regelmatig met geheimhouders en met verschillende geheimhouders. Juist ondernemingen en bedrijven moeten vervolgens adviezen en informatie voor of van geheimhouders verder verspreiden omdat zij dat intern (en soms ook extern) moeten en willen bespreken. Als ondernemingen en bedrijven ‘nadenken’ over geheimhouderinformatie dan doen zij dat veelal door verspreiding, communicatie en schriftelijke analyses. Kortom, juist binnen ondernemingen en bedrijven is vaak veel, heel veel geheimhouderinformatie aanwezig, soms zowel nationaal als internationaal, met alle gevolgen voor zorgvuldige identificatie en selectie van dien. Zeker in de gevallen dat, zoals in onderzoeken naar bedrijfsschandalen, enorme hoeveelheden data door de onderzoekautoriteiten worden opgehaald en meegenomen.
Onterechte verwijten en de noodzaak van een heldere blik
Waar ik mij zorgen om maak en aandacht voor wil vragen is dat door het onderbelichten van dit aspect te meer het risico bestaat dat de indruk ontstaat of wordt bevestigd dat ondernemingen en bedrijven onderzoeken tégenwerken door hun beroep op respect voor en waarborging van het verschoningsrecht. Dat gebeurde in de in het wetenschappelijke onderzoek genoemde aanleiding daarvoor namelijk ook en wordt door het onderzoek nu, onterecht, niet weersproken. Het onderzoek zou hebben moeten beschrijven en onderkennen dat het volstrekt logisch is dat juist in deze gevallen ‘uitdagingen’ en complexiteit opkomen. Daar kunnen de ondernemingen en bedrijven niet zoveel of niet altijd wat aan doen. Dat komt vaak onder meer door manco’s of onduidelijkheden in het systeem die juist in gevallen waarin bedrijven en ondernemingen worden onderzocht en vervolgd, opkomen en daarom juist voor en in die gevallen aandacht en oplossing behoeven. Het mag inderdaad best allemaal wat pragmatischer en minder nerveus, zoals de onderzoekers aanstippen in hun onderzoek, maar pragmatisme vraagt wel en om te beginnen om een heldere, complete blik op de praktijk die relevant is en die wordt geraakt. Die wordt nu nog node gemist.
Mag ik dan ook vragen om een opvolgend onderzoek naar respect voor en waarborging van het ‘professioneel verschoningsrecht’ juist in fraudegevallen en gevallen waarin ondernemingen, bedrijven en hun leiders zijn betrokken? Dan kunnen de ‘uitdagingen’ en complexiteit concreet worden beschreven en geduid. Dan kunnen de aan de orde zijnde belangen zorgvuldig worden meegenomen. En dan kan de waardevolle vertrouwelijkheid beter worden geregeld en verdere onterechte verwijten aan het adres van ondernemingen en bedrijven op dat vlak worden voorkomen, terwijl we streven naar pragmatische en constructieve samenwerking, ook op dit vlak!
Francien Rense, Partner Greenberg Traurig, Amsterdam







