Nederlanders doen bij burenruzies, arbeidsconflicten en geschillen op de woningmarkt steeds vaker een beroep op rechtsbijstand. Achmea ziet tekenen van verharding, terwijl rechtsfilosofen benadrukken dat het recht ook fungeert als noodzakelijk vangnet in een ongelijke samenleving.
Nederlanders kloppen in toenemende mate bij verzekeraars aan voor juridische hulp bij alledaagse conflicten. Achmea registreerde in 2025 circa 127.500 verzoeken om rechtsbijstand op een bestand van 1,3 miljoen particulieren en bedrijven, een toename van bijna 3 procent ten opzichte van het jaar ervoor. In Trouw is hierover onder meer bericht in de context van burenruzies en arbeidsconflicten. Vooral rond woningverkoop en arbeidsverhoudingen is de stijging scherp: geschillen bij aan- en verkoop van woningen namen met ruim 14 procent toe, terwijl hulpvragen rond reorganisaties in twee jaar tijd met meer dan 50 procent groeiden. Daarnaast werd bijna 7 procent meer juridische bijstand gevraagd bij burenruzies, bijvoorbeeld over geluidsoverlast door warmtepompen, airco’s, verbouwingen, camera’s en lekkages.
Achmea-jurist Eva Jongenelen duidt deze ontwikkeling als teken van afnemende verdraagzaamheid: mensen zouden sneller de juridische kaart trekken in plaats van het gesprek met elkaar aan te gaan. Tegelijkertijd eindigt slechts ongeveer 5 procent van de hulpvragen daadwerkelijk in een procedure bij de rechter; in het overgrote deel blijft het bij advies, onderhandelingen of bemiddeling. Mediation wordt daarbij nadrukkelijk naar voren geschoven: volgens Achmea leidt dit in ruim 90 procent van de ingezette gevallen tot een oplossing én kan het de onderlinge relatie herstellen. Trouw heeft over deze trends gepubliceerd; over de toename van rechtsbijstand en de vraag wat dit zegt over de Nederlandse samenleving.
Juridisering, ongelijkheid en toegang tot het recht
Rechtsfilosofen plaatsen de cijfers in het bredere debat over juridisering. Nanda Oudejans (Universiteit van Amsterdam) wijst erop dat een procedure wel een juridisch geschil afsluit, maar gevoelens van onrecht, woede en wrok kan versterken, waardoor vertrouwen tussen burgers en tussen burger en overheid verder wordt uitgehold. Dat is problematisch voor de democratische rechtsstaat, die juist leunt op vertrouwen, sociale cohesie en gemeenschapszin. Tegelijkertijd benadrukt zij dat toegang tot het recht een principiële randvoorwaarde is: burgers moeten niet alleen kunnen procederen, maar ook informatie over hun rechtspositie, ondersteuning bij onderhandelingen en hulp bij bemiddeling kunnen krijgen in een complex rechtsstelsel.
Volgens Oudejans moet de stijgende vraag naar rechtsbijstand bovendien worden gelezen tegen de achtergrond van groeiende ongelijkheid op de arbeids- en woningmarkt. Flexibilisering van arbeid, vergaande deregulering en de zwakkere positie van vakbonden vergroten de machtsasymmetrie tussen werkgever en werknemer, terwijl hoge huizenprijzen en fiscale regels rond woningbezit bestaande vermogensverschillen versterken. In zo’n context kan het recht een compenserende functie krijgen: als correctiemechanisme voor scheve verhoudingen en als vangnet voor burgers die anders structureel op achterstand raken.
Tussen philia en dikè
Emeritus hoogleraar ethiek Paul van Tongeren duidt de ontwikkeling aan de hand van Aristoteles’ onderscheid tussen philia (affectieve gemeenschap) en dikè (recht en regels). Waar lokale gemeenschapsbanden verzwakken door stedenbouwkundige anonimiteit en een door marktwerking gedomineerde samenleving, zullen burgers eerder terugvallen op formele rechten om hun belangen te beschermen. Dat vergroot de vraag naar juridische bijstand, maar laat ook zien dat er nog vertrouwen bestaat in de instituties van de rechtsstaat als laatste verdedigingslinie tegen economische en sociale ongelijkheid.






