Wanneer de wet regelgevende bevoegdheid delegeert aan de regering of een minister, heeft het parlement in principe geen stem. Voor- en nahangprocedures bieden een uitweg, maar onderzoek laat zien dat de praktijk weerbarstig en onoverzichtelijk is.
De Rijksuniversiteit Groningen en de Vrije Universiteit hebben in opdracht van het WODC onderzocht hoe vaak voor- en nahangprocedures in wetgeving zijn opgenomen en hoe vaak daarvan in de parlementaire praktijk gebruik wordt gemaakt. Gedelegeerde regelgeving, zoals algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) en ministeriële regelingen, wordt niet door de Tweede en Eerste Kamer behandeld. Het voordeel hiervan is dat zulke regelgeving sneller tot stand kan komen en beter kan inspelen op actuele ontwikkelingen. Maar als het parlement toch invloed wil uitoefenen, kan dat via een voorhangprocedure (vooraf) of een nahangprocedure (achteraf), mits de onderliggende wet dit expliciet mogelijk maakt.
De zogenoemde Aanwijzingen voor de regelgeving hanteren daarvoor een ‘nee, tenzij’-principe: parlementaire betrokkenheid bij gedelegeerde regelgeving hoort alleen in een wet te worden opgenomen als daar bijzondere redenen voor zijn. Vier modelbepalingen bieden houvast voor de wettelijke vormgeving.
Grote variëteit, weinig motivering
Uit de systematische inventarisatie blijkt dat 569 wetsbepalingen het parlement op enige wijze betrekken bij de vaststelling van gedelegeerde regelgeving. Het overgrote deel betreft de lichtste variant: een periode waarin het parlement desgewenst vragen kan stellen of kan debatteren. De precieze vormgeving wijkt echter sterk af van de modellen uit de Aanwijzingen, wat de toepassing voor Kamerleden ondoorzichtig maakt.
Of de voorgeschreven terughoudendheid daadwerkelijk in acht wordt genomen, valt moeilijk te beoordelen. In meer dan de helft van de gevallen werd niet specifiek toegelicht waarom een procedure werd ingevoerd. Toch leiden de wettelijke procedures er wel toe dat gedelegeerde regelgeving met enige regelmaat aan het parlement wordt voorgelegd. In de periode 2020–2024 werden 618 ontwerp-besluiten en -regelingen ingediend. In ruim 60 procent van de gevallen nam de Tweede Kamer het voorgelegde ontwerp stilzwijgend voor kennisgeving aan, maar dat betekent niet dat de betrokkenheid daarmee zinloos is.
De onderzoekers suggereren dat vereenvoudiging of herziening van de procedures eraan kan bijdragen dat parlementaire controle op gedelegeerde regelgeving effectiever wordt.





