Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft een strafrechtadvocaat veroordeeld tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens het opzettelijk schenden van zijn beroepsgeheim. De zaak raakt de kern van de advocatuur en de rechtsstaat.
Op 22 april 2020 verleende de advocaat telefonische verhoorbijstand aan zijn cliënt, die in een drugszaak in volledige beperkingen was geplaatst en daardoor geen contact mocht hebben met de buitenwereld. De advocaat was als enige buiten justitie bevoegd met hem te communiceren, een bijzonder privilege dat een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Van die positie maakte hij misbruik door een derde fysiek op zijn kantoor aanwezig te laten zijn en hem via de telefoon mee te laten luisteren met het verhoor.
Encrochat-berichten ontmaskeren de schending
De schending kwam aan het licht via onderschepte Encrochat-berichten van de betreffende derde, die in een afzonderlijk strafrechtelijk onderzoek als verdachte was aangemerkt. Uit die berichten bleek dat hij bij het verhoor had meegeluisterd en daarvoor 500 euro had betaald. De verkregen opsporingsinformatie, over doorzoekingen, in beslag genomen bedragen en personen die nog in het vizier van de politie waren, gaf hij direct door aan criminele handlangers. Zo speelde de advocaat een faciliterende rol bij het in stand houden van georganiseerde drugscriminaliteit en frustreerde hij mogelijk het opsporingsonderzoek.
De advocaat erkende informatie te hebben gedeeld, maar weigerde met een beroep op zijn verschoningsrecht te verklaren hoe. Dat een derde had meegeluisterd, ontkende hij. Het hof acht dit niet geloofwaardig. Als ervaren strafrechtadvocaat met meer dan twaalf jaar praktijkervaring moet hij hebben geweten welke faciliterende rol hij speelde. Zijn op stiekeme wijze handelen, door zijn telefoon te dempen en zijn cliënt te vragen harder te praten, versterkt die conclusie.
Integriteit als fundament van de rechtsstaat
Het hof benadrukt dat de rechtsstaat staat of valt bij de integriteit van advocaten. Door misbruik te maken van zijn uitzonderingspositie heeft de verdachte die integriteit ernstig ondermijnd. Het hof neemt hem bovendien kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Hoewel het hof van oordeel is dat dergelijk gedrag in beginsel zou moeten leiden tot het einde van de beroepsuitoefening, biedt de wet bij dit delict geen mogelijkheid tot beroepsontzetting. De opgelegde gevangenisstraf van drie maanden is daarmee de zwaarste maatregel die het hof kon opleggen. De tuchtrechter had eerder al een schorsing van 52 weken opgelegd, waarvan 26 weken voorwaardelijk.





