Een algemeen verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties beperkt het grondrecht om te demonstreren verder dan juridisch te rechtvaardigen is, stelt de NOvA. Volgens de orde zijn de noodzaak, proportionaliteit en uitvoerbaarheid van de voorgestelde wetswijziging onvoldoende onderbouwd.
Voorgesteld wordt om in artikel 11 van de Wet openbare manifestaties een algemeen verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens of direct na een demonstratie op te nemen, met een strafdreiging van maximaal twee maanden hechtenis of een geldboete van 5.500 euro. Alleen wanneer gezichtsbedekking noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid van een of meer personen, of vanwege andere zwaarwegende persoonlijke belangen, geldt een uitzondering. De wetgevingsadviescommissies strafrecht, bestuursrecht en rechtsstatelijkheid van de Nederlandse orde van advocaten benadrukken dat hiermee een inperking van de demonstratievrijheid wordt geïntroduceerd, een grondrecht dat wordt beschermd door artikel 9 Grondwet en artikelen 10 en 11 EVRM.
Ondeugdelijke toets aan EVRM
Volgens de NOvA voldoet de toelichting op het wetsvoorstel niet aan de eisen die het EVRM stelt aan beperkingen van de demonstratievrijheid, zoals het bestaan van een pressing social need, proportionaliteit en relevant and sufficient reasons. Zo wordt recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over gezichtsbedekking bij vreedzame demonstraties – waaronder het Ibragimova-arrest en de zaak Laurijsen e.a. tegen Nederland – niet of nauwelijks betrokken, terwijl daarin juist wordt gewaarschuwd voor algemene verboden op maskers bij vreedzame betogingen. Ook wordt voorbijgegaan aan internationale standaarden van onder meer de Venice Commission, de OSCE en het VN-Mensenrechtencomité, die blanket bans op gezichtsbedekking bij vreedzame demonstraties als disproportioneel kwalificeren.
Daarnaast wijst de NOvA op een recent WODC-rapport waaruit volgt dat de huidige regelgeving al voldoende mogelijkheden biedt om in te grijpen waar dat noodzakelijk is en dat een ingrijpende aanpassing weinig doeltreffend lijkt. Burgemeesters, politie en OM hebben eerder aangegeven geen behoefte te hebben aan een algemeen verbod, mede vanwege de beperkte uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en het extra beslag op capaciteit.
Uitholling demonstratierecht en risico op willekeur
De orde signaleert meerdere risico’s: uitholling van het demonstratierecht door een generiek verbod dat weinig ruimte laat voor een individuele belangenafweging, spanning met internationale mensenrechtennormen, oneigenlijk gebruik van het strafrecht en een aanzienlijk chilling effect op potentiële demonstranten. De voorgestelde uitzonderingen zijn bovendien smal geformuleerd, terwijl in een gepolariseerd debat en bij wijdverbreide cameratoezicht voor veel demonstranten reële redenen bestaan om anoniem deel te nemen, bijvoorbeeld uit vrees voor doxing of repercussies van werkgevers.
Verder verwacht de NOvA dat de strafrechtelijke handhaving van het verbod zal leiden tot veel juridische procedures, waarin per geval uitgebreid moet worden getoetst of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Dat zal volgens de orde een aanzienlijk beslag leggen op de capaciteit van advocatuur, OM en rechtspraak, terwijl niet overtuigend is aangetoond dat er daadwerkelijk een dringende maatschappelijke noodzaak voor een algemeen verbod bestaat. De NOvA adviseert daarom tegen het wetsvoorstel.







