Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft de Hoge Raad om uitleg gevraagd over de Nederlandse rechtsmacht bij valsheid in geschrift die in het buitenland zou zijn gepleegd. De zaak draait om een Syrische verdachte die in Turkije een formulier van de IND onjuist zou hebben ingevuld.
Vragen over vervolging van feiten in het buitenland
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld in een strafzaak over mogelijke valsheid in geschrift. De kern van het geschil is of Nederland rechtsmacht heeft om een vreemdeling te vervolgen die in het buitenland een formulier van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onwaar heeft ingevuld. In eerdere, vergelijkbare zaken oordeelden rechters dat Nederland in zulke situaties geen rechtsmacht had. Daardoor werd het Openbaar Ministerie in die procedures niet-ontvankelijk verklaard. Aangezien in die zaken geen cassatie werd ingesteld, blijft de rechtsvraag open.
Het Bossche hof wil nu in het belang van de rechtseenheid en rechtszekerheid dat de Hoge Raad duidelijkheid verschaft. De hoogste rechter moet vaststellen of artikel 4, onder d, van het Wetboek van Strafrecht een grondslag biedt voor rechtsmacht wanneer sprake is van valsheid in geschrift die “is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling”.
Achtergrond van de zaak
De verdachte in de onderliggende zaak, afkomstig uit Syrië, zou in 2021 in Turkije onjuiste gegevens hebben ingevuld op een IND-formulier dat bedoeld is voor een nareisprocedure. Hij verklaarde tegenover de politie dat hij had gelogen over zijn relatiestatus en kinderen, omdat hij meende dat de waarheid een belemmering zou vormen voor zijn komst naar Nederland.
Het hof behandelde de zaak op 3 maart 2026 en besloot om geen einduitspraak te doen zolang de prejudiciële vragen nog bij de Hoge Raad liggen. Volgens het hof is sprake van een zaaksoverstijgend belang, omdat meerdere soortgelijke zaken momenteel bij de Nederlandse rechter spelen.
De volledige tussenuitspraak is gepubliceerd op Rechtspraak.nl.






