Rechters nemen in femicidezaken regelmatig gendergerelateerde kenmerken mee in de strafmotivering. Het begrip ‘femicide’ zelf wordt in uitspraken nog weinig expliciet gebruikt, blijkt uit WODC-onderzoek.
Nederland kent geen aparte strafbaarstelling van femicide. Zaken met kenmerken van femicide worden vervolgd onder de bestaande bepalingen voor moord en doodslag. Toch blijkt uit onderzoek van de Universiteit Maastricht, uitgevoerd in opdracht van het WODC, dat gendergerelateerde kenmerken in de praktijk vaak worden meegewogen bij levensdelicten op vrouwen.
De onderzoekers definiëren femicide als een opzettelijk levensdelict op een vrouw of meisje waarbij gendergerelateerde kenmerken een rol spelen. Daarbij sluiten zij aan bij de operationalisering van de UNODC. Het gaat onder meer om voorafgaand huiselijk geweld, belaging, seksueel geweld, eergerelateerd geweld en misogynistische haatmotieven.
Veel zaken spelen zich af binnen relaties
Uit het jurisprudentieonderzoek blijkt dat 75 procent van de onderzochte zaken met een bewezenverklaring voor een levensdelict op een vrouw volgens de gehanteerde definitie als femicidezaak kan worden aangemerkt. In het merendeel van die zaken ging het om levensdelicten tussen (ex-)partners.
Die relationele context speelt ook een belangrijke rol in de strafmotivering. Rechters verwijzen in 87 procent van deze zaken expliciet naar een partner- of familierelatie en/of andere gendergerelateerde kenmerken. Dat gebeurt overwegend in strafverzwarende zin. Vooral eerdere geweldsincidenten, voorafgaande belaging en seksueel geweld worden in veel zaken expliciet meegewogen bij de strafoplegging.
Ook bij de beoordeling van voorbedachte raad komen dergelijke omstandigheden terug. Rechters verwijzen in een deel van de zaken naar eerdere bedreigingen, relatieproblemen of een geschiedenis van geweld tussen verdachte en slachtoffer. Volgens de onderzoekers spelen gendergerelateerde kenmerken daar vaker een rol dan bij de beoordeling van opzet.
Expliciete verwijzing naar femicide blijft beperkt
Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat het begrip ‘femicide’ zelf nog maar beperkt terugkomt in gepubliceerde uitspraken. De onderzoekers troffen slechts vijf zaken aan waarin de feitenrechter de term expliciet gebruikte. Het ging daarbij steeds om zaken van partner- of ex-partnerdoding waarbij eerder signalen van geweld of bedreiging aanwezig waren.
Het onderzoek laat daarnaast zien dat binnen de strafrechtsketen verschillend wordt gedacht over verdere wettelijke verankering van femicide. Uit interviews met rechters en officieren van justitie blijkt dat de huidige strafmaxima voor moord en doodslag overwegend als voldoende worden gezien. Wel spreken verschillende respondenten steun uit voor een expliciete wettelijke strafverzwaringsgrond voor gendergerelateerde kenmerken, om de aanpak van femicidezaken consistenter te maken.








