Een advocaat uit Noord-Nederland is door de Raad van Discipline Arnhem‑Leeuwarden voor twaalf weken onvoorwaardelijk geschorst, omdat zij drie zaken feitelijk liet behandelen door een van het tableau geschrapte ex‑advocaat. De raad oordeelt dat zij hiermee haar eigen verantwoordelijkheid als procesadvocaat heeft verzaakt en kernwaarden als onafhankelijkheid, deskundigheid en integriteit heeft geschonden.
Samenwerking met geschrapte advocaat
Aanleiding voor het dekenbezwaar was een signaal over processtukken van verweerster met een voettekst waaruit bleek dat de zaken werden behandeld door een juridisch adviseur, mr. J., terwijl verweerster slechts als procesadvocaat werd vermeld. Deze mr. J. was al op 7 juni 2024 door de tuchtrechter van het tableau geschrapt wegens herhaald en ernstig schenden van de kernwaarden deskundigheid en onafhankelijkheid. Desondanks werkte verweerster in drie lopende zaken met hem samen, waarbij hij de behandeling voerde en niet onder haar verantwoordelijkheid opereerde.
De deken verweet haar dat zij in strijd met gedragsregel 14 handelde, die voorschrijft dat de advocaat de volledige verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de opdracht draagt. Verweerster voerde aan dat samenwerking met niet‑advocaten is toegestaan en stelde dat mr. J. slechts ondersteunende werkzaamheden verrichtte als juridisch adviseur, terwijl zij zelf de processtrategie bepaalde en de stukken opstelde. Volgens de raad heeft zij die stelling echter niet onderbouwd, terwijl dat eenvoudig had gekund met onder meer urenspecificaties, declaraties, gespreksverslagen of concept‑processtukken.
De Raad van Discipline stelt voorop dat samenwerking met niet‑advocaten in beginsel is toegestaan, maar niet mag botsen met gedragsregel 14 en de kernwaarden. Op basis van het dossier, de gebruikte briefhoofden en de communicatie van mr. J. richting de deken acht de raad voldoende zeker dat verweerster in de drie zaken geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht, niet de volledige verantwoordelijkheid heeft gedragen en feitelijk als doorgeefluik fungeerde zodat mr. J. de zaken kon afronden. Daarmee heeft zij gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en deskundigheid.
Zwaar meewegend verleden en maatregel
Bij de keuze van de maatregel betrekt de raad nadrukkelijk het tuchtrechtelijk verleden van verweerster. Zij kreeg eerder, op 24 september 2018 en 11 maart 2024 (laatstgenoemde bekrachtigd door het Hof van Discipline op 16 december 2024), al voorwaardelijke schorsingen opgelegd. De eerste veroordeling betrof eveneens een samenwerking die haar onafhankelijkheid aantastte en de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en integriteit in gevaar bracht.
Verder rekent de raad het haar aan dat verweerster het verwijtbare van haar handelen niet inziet. Zowel in het onderzoek van de deken als in haar verweerschrift, waarin volgens de raad alle jurisprudentieverwijzingen onjuist of niet relevant zijn, en ter zitting volhardde zij in de opvatting dat zij correct had gehandeld. Gelet op alle omstandigheden acht de Raad van Discipline alleen een onvoorwaardelijke schorsing passend en legt hij een schorsing van twaalf weken op. De schorsing gaat vier weken na het onherroepelijk worden van de beslissing in, sluit aan op eventuele eerdere onherroepelijke schorsingen en wordt niet ten uitvoer gelegd zolang verweerster niet op het tableau staat ingeschreven.
Omdat een maatregel is opgelegd, wordt verweerster daarnaast veroordeeld in de proceskosten van in totaal 1.250 euro, te voldoen aan de Nederlandse Orde van Advocaten.






