Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) heeft Kamervragen van het lid Schilder beantwoord over de rechterlijke rolopvatting, publieke uitingen van rechters en het vertrouwen in de rechtspraak. Zij wijst daarin de kritiek af dat rechters in klimaat- en stikstofzaken op de stoel van de wetgever zouden gaan zitten en benadrukt hun rechtsvormende taak binnen de democratische rechtsstaat.
Aanleiding voor de vragen van Schilder (Groep Markuszower) is stevige mediakritiek op recente uitspraken over klimaatbeleid en de rolopvatting van rechters. Volgens de staatssecretaris toetsen rechters overheidsoptreden aan formele wetten en aan rechtstreeks werkende bepalingen in internationale verdragen, waaronder mensenrechtenverdragen. In complexe zaken kan het nodig zijn dat zij rechtsregels concretiseren, aanvullen of verfijnen, maar dat blijft binnen de constitutionele taak van de rechter. Een heldere, goed toegelichte motivering is extra belangrijk naarmate een uitspraak meer maatschappelijke impact heeft of publieke discussie oproept.
Verdragen, benoemingen en grenzen van rechtsvorming
Van beleidsvorming via jurisprudentie is volgens Van Bruggen geen sprake: de rechter beslist in een concrete zaak op basis van toepasselijke regelgeving en feiten, terwijl het aan de wetgever is om desgewenst op uitspraken te reageren. Zij wijst erop dat verdragen democratisch zijn gelegitimeerd doordat het Koninkrijk pas na parlementaire goedkeuring aan verdragen wordt gebonden en dat de artikelen 93 en 94 Grondwet rechters verplichten rechtstreeks werkende verdragsbepalingen toe te passen. Over de grenzen tussen legitieme rechtsvinding en feitelijk nieuw beleid zegt zij dat deze niet in abstracto zijn te trekken en altijd samenhangen met de concrete zaak.
De staatssecretaris benadrukt daarnaast de institutionele waarborgen: levenslange benoeming van rechters, wettelijke opleidingseisen, disciplinaire mogelijkheden, en procedures voor verschoning en wraking wanneer aan onpartijdigheid wordt getwijfeld. Extra onderzoek naar meer transparantie bij benoemingen acht zij niet nodig, omdat het vertrouwen in de rechtspraak volgens recente Europese en nationale rapporten stabiel hoog blijft.
Publieke uitingen en vertrouwen in de rechtspraak
Op vragen over publieke en activistische uitingen van rechters verwijst Van Bruggen naar de Gedragscode Rechtspraak, de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties en de geactualiseerde NVvR-rechterscode. Rechters hebben vrijheid van meningsuiting, maar moeten zich bewust zijn van hun bijzondere positie, het onderscheid tussen privépersoon en rechter bewaken en afstand nemen van persoonlijke opvattingen bij hun professionele oordeel.
Dat rechterlijke uitspraken met brede maatschappelijke gevolgen soms tot felle discussie leiden, ziet zij niet als bedreiging voor het vertrouwen in de rechtspraak. Een stevige discussie over de rol van de rechter en de verhoudingen binnen de trias politica hoort volgens haar bij een vitale democratische rechtsstaat, zolang dit met respect voor de onafhankelijke positie van de rechter gebeurt.






