Verhoging van wettelijke strafmaxima leidt in de praktijk zelden tot hogere gevangenisstraffen. Rechters blijven zich bij straftoemeting vooral oriënteren op bestaande rechtspraak en omstandigheden van het geval.
Wettelijke strafverhogingen hebben in de praktijk slechts beperkt effect op de hoogte van opgelegde gevangenisstraffen. Dat blijkt uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) naar de invloed van recente wetgeving op vrijheidsstraffen. Hoewel de maximale straffen in de wet zijn verhoogd, laten ook de strafeisen van het Openbaar Ministerie over het algemeen geen duidelijke stijging zien ten opzichte van de periode vóór de wetswijzigingen en blijven opgelegde straffen in de meeste gevallen binnen de bandbreedte die al gebruikelijk was.
Rechters bepalen de straf in de eerste plaats aan de hand van de ernst van het concrete feit, de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Daarbij spelen bestaande jurisprudentie en oriëntatiepunten een belangrijke rol. Het wettelijke strafmaximum fungeert vooral als uiterste grens, maar vormt zelden een direct aanknopingspunt voor een hogere straf.
Nauwelijks stijging in strafhoogte
Uit de analyse van rechtspraak blijkt dat slechts in een beperkt aantal zaken daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om boven het oude strafmaximum te straffen. Alleen bij enkele delicten, zoals mensensmokkel en deelname aan een criminele organisatie, is sprake van een lichte tot matige stijging van de strafhoogte. Voor andere onderzochte delicten, waaronder doodslag en mensenhandel, zijn geen consistente aanwijzingen gevonden voor een stijging van de strafhoogte.
Over het geheel genomen blijft de gemiddelde strafhoogte stabiel of verandert deze slechts beperkt. De mate waarin zwaarder wordt gestraft is daarmee slechts in beperkte mate toegenomen en blijft grotendeels binnen de bestaande straftoemetingspraktijk.
Strafmaxima vooral grens, geen richtpunt
Volgens het onderzoek heeft dit te maken met de manier waarop rechters en officieren van justitie hun straf bepalen. Zij oriënteren zich primair op eerdere uitspraken en de concrete omstandigheden van de zaak, en niet op abstracte wijzigingen in het wettelijke maximum. Strafmaxima fungeren daardoor vooral als bovengrens, en niet als richtinggevend uitgangspunt.
Wel kan de feitelijke tijd die iemand in detentie doorbrengt toenemen door wijzigingen in de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling. Doordat deze regeling is beperkt tot maximaal twee jaar, kan de effectieve detentieduur in de praktijk langer uitvallen, ook zonder dat de rechter hogere straffen oplegt.
Het onderzoek laat daarmee zien dat de invloed van wetgeving op de strafpraktijk beperkt is. Verhoging van strafmaxima biedt vooral extra ruimte voor uitzonderlijke gevallen, maar leidt in de dagelijkse rechtspraktijk slechts in beperkte mate tot structureel zwaardere bestraffing.






