Naar aanleiding van het recente WODC-rapport en het commentaar daarop in het FD vraagt Marijn Rooijmans zich hardop af of het debat over externe financiering in de advocatuur wel over het juiste probleem gaat. Want wat lost een wijziging in eigendomsstructuren eigenlijk op voor de mensen die een advocaat het hardst nodig hebben?
Ik had het al eerder over externe financiers in de advocatuur. Aanleiding om er weer over te beginnen is een recent WODC onderzoek met de titel Moderne Praktijk Structuren voor Advocaten. En een paar artikelen daarover in het FD met commentaar uit de sector.
De stukken gaan over geld en eigendom. Wie mag investeren in, en aandeelhouder zijn van een advocatenkantoor? Mogen dat niet-advocaten zijn, professionele investeerders?
De aanleiding voor het WODC-rapport is helder: mensen met een laag of middeninkomen komen steeds moeilijker aan betaalbare juridische hulp. Klopt als een bus lijkt me, maar dan maken de onderzoekers een gedachtesprong die ik niet volg: ze positioneren externe investeerders in advocatenkantoren als oplossing die de toegang tot het recht verbetert.
Terwijl ik me daarin verdiepte kwamen er twee gedachten bij me op:
- Ik zie het niet zo 1,2,3. Hoe verbetert extern geld de toegang?
- Ik geloof niet op voorhand dat externe financiers per definitie slechter zijn voor cliënten
De advocatuur bestaat niet
Het gaat al mis bij de aanname dat er zoiets bestaat als “de advocatuur”. Dat is natuurlijk al lang niet meer zo. Een partner van een sociaal kantoor in Almelo en een equity partner bij De Brauw vallen wel onder dezelfde beroepsregels, maar verder hebben ze economisch, cultureel en ook qua praktijk buitengewoon weinig met elkaar gemeen.
Kijk ik naar de markt dan zie ik in dit kader drie dingen. De sociale advocatuur heeft een capaciteitstekort: te weinig mensen, structureel te weinig geld en een businessmodel dat nauwelijks duurzaam in te richten valt. Voor middeninkomens en klein MKB, die geen beroep op gefinancierde rechtshulp kunnen doen, is de advocatuur bijna onbetaalbaar. Ik zie het steeds meer om me heen: ze kunnen hun recht in de vrije markt eigenlijk niet halen. En de grote commerciële kantoren? Die hebben geen probleem, behalve misschien dat ze graag nog groter willen worden.
De partners van topkantoren verkopen niet zo snel
Voor investeerders zijn vooral de grote kantoren interessant. Maar wie denkt dat private equity massaal zijn intrede zal doen in de top van de Nederlandse advocatuur, miskent volgens mij wie de partners van die kantoren zijn. Ik ken ze vooral als autonoom en vakgericht. Bovendien verdienen ze al buitengewoon goed. Waarom zou de belofte van nog meer geld in ruil voor minder autonomie ze over de streep trekken?
Kan me voorstellen dat het bij middelgrote kantoren genuanceerder ligt. De opvolgingsproblematiek is echt wel een reëel issue en ze staan voor behoorlijke investeringen in technologie dus daar ligt wel een kans voor investeerders. Zou me zo kunnen voorstellen dat er een partij komt die 10 of 20 (of meer) kantoren aan elkaar rijgt en aan de achterkant super efficiënt maakt. Maar dat klinkt een stuk simpeler dan het in de praktijk zal zijn, want al die middelgrote en kleinere kantoren draaien op de relaties van seniore advocaten. Wat als die na hun earn out vertrekken? Ik weet niet of ik als investeerder graag m’n geld in zo’n bij elkaar gekocht kantoor zou steken.
En zelfs als het werkt. Hoe verbetert dit de toegang tot het recht? Denk je dat die kantoren voor cliënten goedkoper worden als ze efficiënter georganiseerd zijn? Waarom zou een investeerder voordelen aan de cliënten geven?
Hoezo zijn externe investeerders per definitie slechter voor cliënten?
Dan het argument dat telkens opduikt als het gaat over externe investeerders: de cliënt wordt de dupe van hun winstbejag. Investeerders hebben andere prikkels dan partners.
Maar is dat wel zo? Een partner van een wat groter kantoor heeft ook financiële doelstellingen en een baas. Die heet alleen “de maatschap”.
In Engeland is extern eigendom al jaren toegestaan en in Nederland loopt het BrandMR-experiment al jaren. Bewijs dat bedrijven waarin niet-advocaten participeren het slechter doen voor cliënten is er gewoon niet.
Ondertussen is er een instrument in de maak dat het bezwaar grotendeels wegneemt. De Onafhankelijke Toezichthouder Advocatuur (OTA) moet toezicht gaan houden op alle advocaten, onafhankelijk van zowel de beroepsgroep als de overheid. Engeland heeft zoiets al jaren via de SRA, en daar kunnen niet-advocaten gewoon participeren in kantoren. Dat die twee debatten in Nederland volledig los van elkaar worden gevoerd, snap ik eerlijk gezegd niet. Ze horen bij elkaar.
Onafhankelijkheid van advocaten is belangrijk, dat vind ik ook. Maar we houden elkaar een beetje voor de gek als we doen alsof je daarvoor het eigendom moet beperken tot advocaten. Want die investeren zelf niet, of nauwelijks. De status quo beschermt de advocatuur, niet de cliënt. En ondertussen is het inschakelen van een advocaat alleen nog weggelegd voor de happy few.






