Buitenlandse beleggingsfondsen leken zich in 2025 met groeiende hardnekkigheid in een doodlopende straat te storten. Maar liefst 235 keer stapten zij vorig jaar naar de Hoge Raad in zaken over Nederlandse dividendbelasting.
Het zijn cassatiezaken die de hoogste rechter consequent afwijst en die in zijn jaarverslag inmiddels de meest voorkomende categorie in de belastingkamer vormen. Wie naar de uitkomsten kijkt, ziet een serie nederlagen. Wie naar de strategie kijkt, ziet iets anders: cassatie als procedurele bewaarpositie om te voorkomen dat de uitspraak van het hof in kracht van gewijsde gaat. Het juridische zwaartepunt in dit dossier ligt immers al lang niet meer in Den Haag, maar in Luxemburg — en bij de inbreukprocedure die de Europese Commissie tegen Nederland is gestart. Voor de fiscale procespraktijk is dat een verschuiving die in de cijfers zichtbaar is, maar in het strategisch denken nog onderbelicht.
Het juridische verschil dat blijft
De kern van de zaken is dat buitenlandse beleggingsinstellingen vinden dat zij ongelijk worden behandeld ten opzichte van binnenlandse fiscale beleggingsinstellingen, kortweg fbi’s. De Hoge Raad erkent dat er een belemmering kan zijn van het vrije verkeer van kapitaal, maar in de redenering die volgt weegt de samenhang van het Nederlandse stelsel zwaarder. Een fbi is in het systeem gekoppeld aan een uitdelingsverplichting en houdt zelf dividendbelasting in op uitkeringen aan deelnemers. Vóór 2008 leverde dat een teruggaaf op, sindsdien een vermindering. Buitenlandse fondsen hebben die inhoudings- en afdrachtschakel meestal niet. De Hoge Raad opent uitdrukkelijk de mogelijkheid dat een buitenlandse instelling die wél een vergelijkbare betaling doet, in beeld komt voor vermindering. In de praktijk willen fondsen die stap zelden zetten, omdat het hun fiscale aantrekkelijkheid voor beleggers raakt. Daardoor stranden hun verzoeken in de huidige lijn van uitspraken:niet bij verrassing, maar bij voorzienbaar verlies.
Waarom dan toch doorprocederen
De vraag waarom partijen blijven procederen ondanks die voorzienbaarheid, beantwoordt het Europese spoor. De Europese Commissie acht de Nederlandse fbi-regeling onverenigbaar met het vrije verkeer van kapitaal en heeft een inbreukprocedure aanhangig gemaakt. Als het Hof van Justitie van de EU uiteindelijk vaststelt dat Nederland het Unierecht schendt, kan dat in sommige situaties leiden tot schadevergoeding voor geleden nadeel. Daar zit de werkelijke reden om bezwaar-, beroeps- en cassatieprocedures door te zetten. Niet omdat de Hoge Raad alsnog overstag gaat, maar omdat een dossier dat onherroepelijk is afgesloten zonder lopende procedure straks moeilijker mee kan in de gevolgen van een eventuele EU-uitspraak. Cassatie wordt zo een rechthebbende positie die je veilig moet stellen, niet een zaak die je hoopt te winnen.
Wat verandert er voor advocaten
Voor de advocatuur verandert dat de aard van het werk in deze dossiers wezenlijk. Niet meer een eenmalige stap naar cassatie als sluitstuk van een nationale procedure, maar een doorlopende positiebepaling die zich richt op een andere (en buitenlandse)beslisser. Dat heeft drie praktische gevolgen.
In de eerste plaats weegt cliëntcommunicatie zwaarder. Een cliënt die na drie instanties verliest, vraagt waarom de procedure is gevoerd; een cliënt aan wie vooraf is uitgelegd dat zijn dossier zonder lopende procedure straks géén aanspraak kan maken op de gevolgen van een eventuele EU-uitspraak, stelt die vraag niet.
In de tweede plaats verschuift de focus van de cassatieschrifturen. De boodschap aan de Hoge Raad blijft, maar het werkelijke argument wordt geadresseerd aan een rechter die nog niet aan tafel zit. Dat vraagt zorgvuldigheid in de feitenvaststelling en de Europeesrechtelijke onderbouwing, ook al is de uitkomst in Den Haag voorspelbaar. Een schriftuur die alleen op nationaal recht leunt, beschermt de cliënt straks onvoldoende.
In de derde plaats verandert het tempo. De doorlooptijden bij de Hoge Raad liepen vorig jaar op van 286 naar 393 dagen. De werkvoorraad steeg van 1007 naar 1509 zaken. Wie als advocaat een dividendbelastingcliënt bedient, weet dat de procedure straks geen jaar duurt maar twee jaar of meer . En dat de kalender voor het EU-spoor daar parallel aan loopt. Strategisch wachten en strategisch doorduwen zijn beide werkbare keuzes, maar moeten op een andere manier verantwoord worden dan in een klassieke procesketen.
De stroom dividendbelastingzaken is in dat licht geen jurisprudentieel curiosum, maar een procedurele werkelijkheid waarin de Nederlandse fiscale advocatuur zich een aantal jaren mag installeren. Voor wie cliënten met grensoverschrijdende beleggingsstructuren bedient, is de centrale vraag niet meer of de zaak in Den Haag wordt gewonnen. De vraag is of het dossier open blijft tot Luxemburg.








