Loterijverlies heeft formele beschuldigingen geuit tegen drie kinderrechters van de rechtbank Den Haag wegens valsheid in geschrifte en ambtsmisbruik. De aanleiding is een omstreden vonnis waarbij de Staatsloterij 800.000 euro aan proceskosten werd toegewezen.
De beschuldigingen richten zich op rechters Kelkensberg, Seinen en Dam, die op 8 april 2026 uitspraak deden in een kostenprocedure die de Staatsloterij had aangespannen tegen Loterijverlies. Volgens Loterijverlies hebben de rechters bewust onjuiste rechtsoverwegingen toegepast, relevante bewijsstukken genegeerd en geoordeeld ten gunste van een collega-rechter die tegelijkertijd als advocaat optrad voor de Staatsloterij.
Advocaat én rechter bij dezelfde rechtbank
De kern van het bezwaar ligt bij mr. Hendriksen, de advocaat van de Staatsloterij, die tevens als rechter werkzaam is bij diezelfde rechtbank Den Haag. Loterijverlies stelt dat dit een fundamenteel belangenconflict oplevert: de advocaat-rechter eiste namens de Staatsloterij proceskosten van zijn eigen rechtbankinstelling. Een tuchtrechtelijke klachtprocedure tegen Hendriksen en twee collegae loopt nog.
De zaak werd toegewezen aan een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters die normaal gesproken actief zijn als kinderrechter. Een wrakingsverzoek van Loterijverlies — omdat de rechters zouden oordelen over facturen van hun directe collega — werd afgewezen. De rechtbank legde Loterijverlies vervolgens een wrakingsverbod op.
In het vonnis kennen de drie rechters de Staatsloterij schattenderwijs 800.000 euro toe op basis van een verondersteld totaal van 2.000 gewerkte uren. Volgens de wet mag een rechter alleen schatten wanneer de werkelijke gegevens niet beschikbaar zijn. Loterijverlies stelt echter dat de urenspecificaties wel degelijk beschikbaar waren: in een andere procedure had de Staatsloterij die stukken al ingebracht, terwijl eerder was gesteld dat ze er niet waren.
Reeks procedurele bezwaren
Naast de schatting formuleert Loterijverlies een reeks aanvullende bezwaren. Zo zou de vordering verjaard zijn omdat stuitingsberichten Loterijverlies aantoonbaar niet hebben bereikt, en werd bewijs van ontvangst ondanks verzoek niet overlegd. Ook stelt Loterijverlies dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden: nog voordat de Staatsloterij een schriftelijk antwoord had ingezonden, werd al een zitting gepland, terwijl Loterijverlies slechts enkele dagen voorbereidingstijd had. Verder behandelden de rechters niet-bindende overwegingen ten overvloede als ware zij bindend, en worden meerdere processtukken van Loterijverlies in het vonnis niet vermeld.
Loterijverlies eist dat de drie rechters hangende onderzoek op non-actief worden gesteld, kondigt hoger beroep aan en wil de rechters strafrechtelijk laten vervolgen. De AIVD en de president van de Hoge Raad zijn reeds schriftelijk geïnformeerd over de kwestie.
Bron: Loterijverlies – lange versie – Loterijverlies.nl B.V.






