Leidersaansprakelijkheid bij bedrijfsschandalen blijkt minder zwart-wit dan het publieke debat doet vermoeden. Francien Rense, partner bij Greenberg Traurig, laat zien hoe OM en rechter stap voor stap concrete maatstaven ontwikkelen rond beleid, zorgplicht en feitelijk leidinggeven, en welke ruimte én opdracht dat laat voor bestuurders en managers.
Dappere beslissingen
In de afgelopen twee jaar jaren stonden enkele belangrijke beslissingen over vervolging van leiders van bedrijven voor door die bedrijven gepleegde strafbare feiten op de agenda van het OM. Dat nam een aantal dappere beslissingen (bijvoorbeeld, over (voormalig) bestuurders van ING en ABN Amro, op 18 december 2024), om niet (verder) te vervolgen, tegen de maatschappelijke en politieke wind in. Ik heb daarin welkome, reële verwachtingen en maatstaven gelezen en herkend (“Met oordeel over bankbestuurders en hun vervolging schept OM welkome duidelijkheid”).
Nieuwe richtsnoeren in 2025
Wat later in 2025 liet het OM ook zien waar het naartoe werkt. Uit enkele beslissingen van de Rechtbank Overijssel (op 11 september 2025) over bezwaren tegen vervolging van gesteld betrokkenen bij vermeende strafbare feiten van Damen werd naar richtsnoeren van het OM in dit verband, duidelijk ter nadere uitwerking van eerdere uitgangspunten van de Hoge Raad, verwezen.
In die zaken is volgens het OM geen sprake van “klassiek” feitelijk leidinggeven, in de zin van actieve aansturing, aanmoediging of toestaan van strafbare feiten van de onderneming. Maar, zo vervolgt zij, er zou wel sprake kunnen zijn geweest van strafbare betrokkenheid vanwege het “normale” beleid van hun en de onderneming. Een essentieel onderdeel van het bedrijfsmodel, waarvan de aan de orde strafbare feiten het “onvermijdelijke gevolg” zouden zijn. Dat laatste vanwege eerder gebleken strafbare feiten als gevolg van dit beleid en het niettemin, ondanks waarschuwingen, “gewoon” voortzetten van dat beleid. Dicht daartegenaan ligt, volgens het OM, eventuele strafbare betrokkenheid vanwege het zeer wel op de hoogte zijn van de aan het “normale” beleid verbonden risico’s en het, hoewel daartoe gehouden, nalaten van concrete maatregelen om dat beleid te stoppen of de risico’s afdoende in te dammen. In beide varianten was de vereiste wetenschap aanwezig, omdat het door betrokkenen gevoerde beleid meebrengt dat zij ook de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid hebben geaccepteerd dat het gepaard zou gaan met de aan de orde zijnde strafbare feiten.
De Rechtbank geeft aan, de richtsnoeren kennelijk accepterend maar overigens zonder al op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkenen vooruit te lopen, dat dan relevante aspecten zijn: de hoogte en zwaarte van de positie van de betrokkenen binnen de onderneming zoals een belangrijke (beleids)bepalende positie, het aan de orde stellen en zijn van risico’s en eerder laakbaar gedrag binnen de onderneming en haar bedrijfsvoering o.a. door betrokken interne en externe professionals en instanties en specifieke (gerelateerde) activiteiten van de verdachten, zoals beoordelings- en goedkeuringsactiviteiten of beleidsmatige activiteiten.
Praktische betekenis voor de toekomst
De benadering van het OM en de Rechtbank is behoorlijk concreet en grijpbaar. Eventueel strafbaar leiderschap wordt door hen voor deze gevallen gekoppeld aan concreet gevoerd, specifiek beleid dat al heeft geleid tot strafbare feiten en/of het risico daarop niet voldoende beperkt of indamt en het zich daarvoor concreet doof tonen op een relevante positie met invloed en control.
Dat is behulpzaam. Het biedt de praktijk namelijk een welkom spoorboekje voor alle leiders die daadwerkelijk en effectief willen optreden in geval van bedrijfsschandalen, alsook hun interne en externe adviseurs. Dat is waardevolle houvast.
Francien Rense, partner Greenberg Traurig, Amsterdam





