De Nederlandse orde van advocaten (NOvA) steunt de implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, maar ziet twee wezenlijke verbeterpunten in het wetsvoorstel. De toegang tot gesubsidieerde rechtsbijstand voor slachtoffers schiet tekort en de strafbaarstelling van cyberintimidatie is te ruim en daarmee juridisch onnodig onduidelijk.
De NOvA adviseert over het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1385, die een alomvattend kader moet bieden voor de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld in de hele EU. Veel bepalingen uit de richtlijn zijn al in de Nederlandse strafwetgeving verankerd; aanvullingen betreffen onder meer uitbreiding van rechtsmacht, verhoging van strafmaxima en nieuwe strafbaarstellingen voor cyberintimidatie en gedwongen genitale verminking, alsmede extra aandacht voor slachtofferondersteuning en aanpassingen in de Wmo 2015. De NOvA identificeert daarbij twee knelpunten voor de rechtspraktijk: gesubsidieerde rechtsbijstand in de vroege fase en de formulering van de nieuwe bepaling over cyberintimidatie.
Toegang tot het recht in vroege fase
Kern van de eerste zorg is dat slachtoffers in de voorbereidende fase van het strafproces onvoldoende toegang hebben tot gesubsidieerde rechtsbijstand. Hoewel het slachtoffer zich op grond van artikel 51c Sv al tijdens het voorbereidende onderzoek kan laten bijstaan en voor ernstige gewelds- en zedenmisdrijven een O013‑toevoeging mogelijk is vanaf de aangifte, vallen veel vormen van geweld – zoals stalking en eenvoudige mishandeling – buiten deze regeling. Slachtoffers in die zaken hebben vaak geen feitelijke toegang tot eigen financiële middelen, terwijl de behoefte aan juridisch advies juist vóór en rond de aangifte groot is.
De NOvA wijst erop dat de tijdelijke adviestoevoeging (ATZ) met een beperkte vergoeding en zonder declarabele reistijd geen structurele oplossing biedt. Ook pilots met vroege rechtsbijstand aan zedenslachtoffers laten zien dat bijstand in een zeer vroeg stadium wenselijk is, maar nu grotendeels drijft op idealisme van advocaten en niet op bestendige regelgeving. De NOvA stelt daarom voor het bereik van de O013‑toevoeging te verruimen, de toevoeging eerder te kunnen aanvragen en de nationale regels beter in lijn te brengen met de richtlijn en de door de wetgever in de memorie van toelichting verwoorde ambitie.
Strafbepaling cyberintimidatie te ruim
De tweede opmerking betreft de voorgestelde strafbaarstelling van cyberintimidatie in artikel 266a Sr. Waar de richtlijn vereist dat online bedreigende of beledigende gedragingen strafbaar zijn wanneer zij waarschijnlijk ernstige psychologische schade toebrengen, kiest het wetsvoorstel voor de formulering dat “ernstige benadeling van de gezondheid te duchten is”. Volgens de NOvA zijn zowel de gebruikte kansbegrip (“te duchten” in plaats van “waarschijnlijk”) als het schadebegrip (“benadeling van de gezondheid” in plaats van “psychologische schade”) ruimer en vager dan de Europese norm, wat naar verwachting tot interpretatiediscussies in de rechtspraktijk zal leiden.
Hoewel een lidstaat strenger mag zijn dan de richtlijn, acht de NOvA niet duidelijk waarom deze verbreding wenselijk en noodzakelijk is. De beroepsorganisatie beveelt aan de terminologie van de richtlijn letterlijk over te nemen, zodat de strafbaarstelling beter afgebakend is en onnodige onduidelijkheid wordt voorkomen





